22146 WSF Datum uitspraak: 12 juli 2023 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 december 2021, 20/8010 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei
- Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant heeft op 25 augustus 2016 bij de minister een aanvraag ingediend voor toekenning van studiefinanciering met ingang van 1 september 2016 in de vorm van een lening en collegegeldkrediet. 1.
- Bij besluiten van 26 augustus 2016, 6 december 2016, 4 december 2017, 17 oktober 2018 en 16 oktober 2019 heeft de minister, voor zover hier van belang, aan appellant – conform zijn aanvraag – over de periode van 1 oktober 2016 tot en met 30 september 2020 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend in de vorm van een lening en collegegeldkrediet. 1.
- Bij besluit van 15 september 2020 heeft de minister aan appellant op zijn verzoek ook een aanvullende beurs toegekend. De ingangsdatum daarvan is bepaald op 1 september
- 1.
- Bij besluit van 12 november 2020 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 september 2020 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de minister, gelet op het bepaalde in artikel 3.21, derde lid, van de Wsf 2000, de aanvullende beurs terecht niet eerder dan met ingang van 1 september 2020 heeft toegekend. Nu het hier de toepassing van een dwingendrechtelijke bepaling betreft, is het voor de minister wettelijk niet mogelijk om de aanvullende beurs met terugwerkende kracht toe te kennen over de periode vóór 1 september
- Voor zover appellant een beroep doet op de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 neergelegde hardheidsclausule, overwoog de rechtbank als volgt. Dat de aanvraag een beperkte terugwerkende kracht heeft tot het begin van het studiejaar vloeit rechtstreeks uit de wet voort en is dus geen onbedoeld neveneffect van de wet. Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van appellant om zich te verdiepen in de wet- en regelgeving met betrekking tot de studiefinanciering en tijdig de juiste aanvraag bij de minister in te dienen. Dat het appellant pas in september 2020 duidelijk is geworden dat hij een aanvullende beurs kon aanvragen, is een omstandigheid die, hoe vervelend de gevolgen voor hem ook zijn, voor zijn eigen rekening en risico komt. Of een wettelijke regeling als de onderhavige redelijk of billijk is, kan door de rechter niet worden getoetst.
- Appellant heeft in hoger beroep verwezen naar wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Voorafgaand aan de maand waarin hij de aanvullende beurs heeft aangevraagd (september 2020), had appellant nog nooit gehoord van een aanvullende beurs. Uit berichtgeving in 2015/2016 in onder meer de landelijke pers rondom de invoering van de Wet studievoorschot heeft hij destijds afgeleid dat alle bedragen die hij aan studiefinanciering zou (kunnen) krijgen, zouden worden verstrekt in de vorm van een lening. Appellant vindt de afwijzing van de aanvullende beurs met verdergaande terugwerkende kracht onevenredig. Hij loopt een bedrag van bijna € 19.000,- mis. Appellant heeft verwezen naar het in oktober 2021 verschenen Rapport Werkgroep Toeslagenaffaire Rechtbanken. Daarin is onder meer gesteld dat rechters te kennen hebben gegeven dat bijvoorbeeld besluiten van DUO als knellend kunnen worden ervaren. Daarnaast heeft appellant gewezen op een bijdrage van oud-president van de Hoge Raad G. Corstens, die in het televisieprogramma ‘Buitenhof’ – vrij vertaald – heeft gesteld dat harde wetgeving door een ‘redelijke wetsuitleg’ soepel kan worden toegepast.
- De Raad oordeelt als volgt. 4.
- De rechtbank heeft de beroepsgronden gewogen en daarover een gemotiveerd oordeel gegeven. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en op hoofdlijnen de daartoe gegeven overwegingen. Hier wordt het volgende aan toegevoegd. 4.
- De argumenten ter onderbouwing van zijn beroepsgrond over de (on)evenredigheid van de afwijzing van zijn aanvraag om verdergaande terugwerkende kracht, die hij ontleent aan het Rapport Werkgroep Toeslagenaffaire Rechtbanken en aan de bijdrage van Cortens in ‘Buitenhof’, gaan eraan voorbij dat de Wsf 2000 een hardheidsclausule kent, waarmee van die wet kan worden afgeweken in zeer bijzondere omstandigheden. De rechtbank heeft over de toepassing daarvan een gemotiveerd en juist oordeel gegeven. Ook in hoger beroep zijn geen (andere) feiten of omstandigheden aangevoerd, die maken dat zou moeten worden gezegd dat de minister toepassing had behoren te geven aan de hardheidsclausule. Hoewel kan worden vastgesteld dat appellant een aanzienlijk bedrag aan studiefinanciering is misgelopen, ziet de Raad ook daarin geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. 4.
- Uit 4.1 tot en met 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, voorzitter, en D.S. de Vries en J.E. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van I. van der Hout als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli
- (getekend) J. Brand (getekend) I. van der Hout