← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2023:1335

22/1775 ZW Datum uitspraak: 12 juli 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 april 2022, 21/2996 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Met een besluit van 4 februari 2021 heeft het Uwv de uitkering die appellante ontving op grond van de Ziektewet (ZW) vanaf 9 februari 2021 beëindigd. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het Uwv is met een besluit van 21 april 2021 (bestreden besluit) bij de beëindiging van de ZW-uitkering gebleven. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Samenvatting Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 9 februari 2021 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat om haar werk als productiemedewerker te verrichten zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd. Inleiding

  1. Appellante heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerker voor 40 uur per week. Haar dienstverband is op 6 december 2019 geëindigd. Op 15 juni 2020 heeft zij zich ziekgemeld met galblaasklachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de ZW toegekend. Op 4 januari 2021 heeft zij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 9 februari 2021 geschikt geacht voor haar laatste werk. Bij besluit van 4 februari 2021 heeft het Uwv de ZW-uitkering per die datum beëindigd. In de bezwaarfase heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoek gedaan en een rapport opgesteld. Het Uwv heeft op basis hiervan geen aanleiding gezien voor wijziging van zijn standpunt. Uitspraak van de rechtbank
  2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen de medische belastbaarheid van appellante op de datum in geding op inhoudelijke overtuigende wijze gemotiveerd en geeft het beroep geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. In verband met haar psychische problematiek is appellante aangewezen op gestructureerd en overzichtelijk werk zonder aanhoudende werkstress en moet conflictgevoelig werk voorkomen worden. Het eigen werk van appellante voldoet aan deze voorwaarden. Het Uwv heeft appellante dan ook terecht per 9 februari 2021 weer geschikt geacht voor haar laatste werk in de functie van productiemedewerker. Het hoger beroep van appellante
  3. Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4.
  4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om de ZW-uitkering van appellante te beëindigen in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.
  5. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak. 4.
  6. Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een verzekerde recht op een ZW-uitkering als hij zijn arbeid als gevolg van ziekte of gebreken niet kan verrichten. ‘Zijn arbeid’ is het werk dat de verzekerde als laatste heeft verricht voordat hij ziek werd. Als de verzekerde geen werkgever heeft, wordt beoordeeld of de verzekerde werkzaamheden kan verrichten die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. 4.
  7. De stelling van appellante dat zij vanwege haar psychische klachten op 9 februari 2021 nog niet geschikt was voor haar eigen werk, heeft zij ook in beroep al aangevoerd. De rechtbank heeft deze grond in de aangevallen uitspraak gemotiveerd besproken. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die tot een ander oordeel leiden dan de rechtbank heeft gegeven. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid worden daarom onderschreven. Conclusie en gevolgen
  8. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
  9. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli
  10. (getekend) E.J.J.M. Weyers (getekend) S. Pouw Bijlage Artikel 19 van de Ziektewet
  11. De verzekerde heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde. (…)
  12. Voor de toepassing van deze wet worden onder ziekte mede verstaan gebreken.
  13. Ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft als bedoeld in artikel 9, 10 of 12 wordt onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. In afwijking van de eerste zin wordt indien de verzekerde de arbeid gedurende minder dan een week heeft verricht en daaraan voorafgaand gedurende ten minste zes maanden andere arbeid heeft verricht onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die gewoonlijk kenmerkend zijn voor de andere arbeid die in die zes maanden hoofdzakelijk is verricht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.