203731 ZW Datum uitspraak: 13 juli 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 september 2020, 18/8201 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. Mr. I.A.C. Cools, advocaat, heeft zich als gemachtigde van appellant gesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Cools. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. Het onderzoek ter zitting is geschorst om partijen de gelegenheid te bieden om tot een oplossing te komen van het geschil. Partijen hebben de Raad geïnformeerd niet tot een oplossing te zijn gekomen en hebben nadere reacties ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Cools. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant heeft in 2007 lichamelijke klachten opgelopen bij een verkeersongeval. Appellant is vervolgens vanaf 2008 werkzaam geweest als planner. Na de beëindiging van het dienstverband in september 2008 heeft appellant een revalidatietraject gevolgd. 1.2. Appellant heeft het Uwv in 2012 verzocht hem met ingang van 17 november 2007 ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Deze aanvraag heeft het Uwv afgewezen en in bezwaar gehandhaafd omdat appellant in 2007 niet verzekerd was. Appellant heeft vervolgens opnieuw ziekengeld aangevraagd, nu met ingang van 22 september 2008. Bij besluit van 19 maart 2013 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellant niet arbeidsongeschikt was op 22 september 2008. Het bezwaar daartegen is ongegrond verklaard bij besluit van 2 mei 2013. Bij uitspraak van 26 november 2013, 13/3386, heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Appellant is hiertegen in hoger beroep gegaan. Tijdens die procedure heeft het Uwv op 22 december 2015 een nieuw besluit genomen waarin aan appellant met ingang van 24 september 2008 ziekengeld is toegekend. Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en heeft daarbij verzocht om een proceskostenveroordeling. Bij uitspraak van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3190) heeft de Raad het Uwv veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten en reiskosten van appellant in beroep en hoger beroep. 1.3. Op 16 februari 2016 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 12 april 2016 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 20 september 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, gebaseerd op een mate van 100% arbeidsongeschiktheid. Per 20 februari 2012 is dit een loonaanvullingsuitkering geworden. 1.4. Aan appellant is in 2016 een bedrag van € 57.595,- bruto aan ziekengeld nabetaald alsmede € 1.452,42 aan wettelijke rente. Ook is een bedrag van € 38.509,15 bruto aan WIA-uitkering nabetaald, alsmede € 4.334,42 aan wettelijke rente. 1.5. Bij brief van 12 april 2017 heeft appellant het Uwv verzocht een schadebesluit te nemen. Bij besluit van 11 januari 2018 heeft het Uwv het verzoek om schadevergoeding afgewezen wegens een ontbrekende onderbouwing van het verzoek. Uit coulance heeft het Uwv aan appellant een bedrag van € 200,- toegekend. 1.6. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 januari 2018. Tijdens die procedure heeft het Uwv op 20 augustus 2018 een nieuw besluit genomen waarin aan appellant een bedrag van € 5.361,80 aan schadevergoeding is toegekend. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 6.459,- aan vergoeding voor belastingschade (box 1 van de Wet Inkomstenbelasting 2001) en een vergoeding van € 158,80 voor het opvragen van medische stukken, minus genoten zorgtoeslag ten bedrage van € 1.053,- en de eerder toegekende € 200,-. Bij besluit van 21 november 2018 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 januari 2018 gegrond en het bezwaar tegen het besluit van 20 augustus 2018 ongegrond verklaard en de eerder toegekende schadevergoeding gehandhaafd. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten en het Uwv veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft vastgesteld dat het besluit van 19 maart 2013 onrechtmatig was, zodat het Uwv gehouden is om aan appellant de schade als gevolg van dat besluit te voldoen. Onder die gevolgen vallen ook de aanvraag, toekenning en nabetaling van de WIA-uitkering. Het Uwv heeft dit niet erkend. Vanwege dit motiveringsgebrek is het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft vervolgens de geclaimde schadeposten beoordeeld. De schadeposten aanvullende bijstandsuitkering en tandartskosten zijn pas in beroep aangevoerd en vallen daarom buiten de omvang van het geding. De schadeposten woonlasten en opslagkosten zijn schade als gevolg van het uitblijven van de betaling van een geldsom. Deze schade wordt geacht te zijn vergoed met de betaling van de wettelijke rente door het Uwv, zodat voor afzonderlijke vergoeding van deze schade geen plaats is. Wat betreft de belastingschade heeft het Uwv onvoldoende gemotiveerd dat de schade voortkomend uit betaling van vermogensbelasting (lees: vermogensrendementsheffing) niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komt. Het bestreden besluit bevat daarom ook op dit punt een motiveringsgebrek. Appellant heeft echter niet geconcretiseerd wat de omvang van zijn belastingschade is. Appellant was uit het oogpunt van schadebeperking gehouden om bij de Belastingdienst een verzoek om middeling in te dienen en in geval van afwijzing had hij daartegen in ieder geval bezwaar moeten maken. Appellant heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Over de geclaimde immateriële schade heeft de rechtbank geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat appellant zodanig onder het besluit heeft geleden dat het onrechtmatige besluit en de daarna gevoerde procedures op zichzelf hebben geleid tot geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon. De gemaakte kosten voor het opvragen van medische stukken zijn al vergoed en van twee overige facturen kan niet worden vastgesteld dat het gaat om kosten die zijn veroorzaakt door het onrechtmatige besluit. Wat betreft de geclaimde juridische kosten heeft de Raad in zijn uitspraak van 24 augustus 2016 al definitief beslist over de voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor rechtsbijstand in de ZW-procedure. Over de in deze schadestaatprocedure gemaakte proceskosten is er, gelet op het exclusief, forfaitair en limitatief karakter van de regeling in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), geen plaats voor een aanvullende vergoeding van proceskosten langs de weg van een zelfstandig schadebesluit. De conclusie van de rechtbank is dat de vermogensrechtelijke positie van appellant al voldoende is hersteld met de toegekende schadevergoeding. Daarom zijn de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat weergegeven en voor zover van belang, aangevoerd dat op geen enkel moment een correcte afhandeling van zijn verzoek tot schadevergoeding heeft plaatsgevonden. Gedurende het gehele traject heeft een veelvoud aan nalatigheden en schendingen van zijn rechten plaatsgevonden, zijn wetten overtreden en is sprake geweest van misleidingen. In de uitspraak van de rechtbank is hiermee ten onrechte geen rekening gehouden. Het is paradoxaal dat de rechtbank heeft vastgesteld dat het besluit onrechtmatig was, maar vervolgens geen (verdere) schadevergoeding heeft toegekend. Appellant heeft verzocht alsnog de gevorderde schadevergoeding volledig toe te kennen. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten omdat aan appellant al voldoende schade is vergoed door het Uwv. Over de hoogte van de vergoede wettelijke rente bestaat geen verschil van inzicht tussen partijen. Op de zittingen is met partijen besproken welke schadeposten appellant nog van het Uwv vordert. Deze worden in de navolgende overwegingen besproken. 4.2. Belastingschade 4.2.1. Volgens vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 oktober 2002 (ECLI:NL:CRVB:2002:AF0902), valt belastingschade als gevolg van een nabetaling ineens buiten de schade wegens vertraging in de betaling van een geldsom en kan deze schade in beginsel voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. De schade beloopt in beginsel het (positieve) verschil tussen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.