22/1150 WAJONG Datum uitspraak: 26 juli 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2022, 21/2842 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Met een besluit van 4 september 2020 heeft het Uwv geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het Uwv is met een besluit van 28 april 2021 (bestreden besluit) bij de weigering van de Wajong-uitkering gebleven. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Namens appellante heeft mr. S. Ben Ahmed, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingezonden. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 juni 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.B. Ullah en haar moeder [naam moeder appellante]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia. OVERWEGINGEN Samenvatting Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op [geboortedag] 2005 (de dag dat zij achttien jaar is geworden) en de vijf jaar erna duurzaam niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv appellante terecht een Wajong-uitkering heeft geweigerd. 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren op [geboortedag] 1987, heeft met een door het Uwv op 1 juli 2020 ontvangen formulier een laattijdige aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Daarbij is melding gemaakt van een borderline persoonlijkheidsstoornis, depressie, mogelijk PTSS en fibromyalgie. Bij haar aanvraag heeft appellante een besluit van 21 december 2015 van de gemeente Rotterdam gevoegd (inhoudende toekenning van een rolstoelvoorziening), een op 15 april 2020 ondertekend ondersteuningsverslag van de gemeente Rotterdam over het toekennen van een vervoersvoorziening en een behandelovereenkomst met PSYTREC van 26 augustus 2020 gericht op de behandeling van de PTSS-klachten van appellante. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante geen Wajong-uitkering kan krijgen omdat zij na haar achttiende verjaardag arbeidsongeschikt is geworden en zij in het jaar voordat zij arbeidsongeschikt werd, 31 december 2014, niet zes maanden of langer gestudeerd heeft. 1.2. In de bezwaarfase hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek gedaan en rapporten opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het aannemelijk geacht dat appellante op haar achttiende verjaardag mentale klachten had die eerst zijn beschreven als depressie en later als cluster B-borderline persoonlijkheidsproblematiek. Later zijn daar de diagnoses fibromyalgie en hypermobiliteit bijgekomen. Op haar achttiende verjaardag waren er ook enige fysieke klachten. De bevindingen uit het onderzoek, waaronder het functioneren tijdens de studie en het zelfstandig wonen daarna, geven volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan dat appellante op haar achttiende verjaardag benutbare mogelijkheden had. Appellante was toen in staat vier uur per dag actief te zijn, waarbij de arts heeft vermeld dat dit niet noodzakelijkerwijs vier uur aaneengesloten behoeft te zijn. Appellante was verder in staat een uur aaneengesloten te werken zonder de noodzaak voor relevante bijsturing. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellante de taken ‘sorteren van post’ en ‘scannen’ kan verrichten en ook over werknemersvaardigheden beschikt. Appellante heeft daarom geen recht op een Wajong-uitkering omdat zij arbeidsvermogen heeft. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv inzichtelijk gemotiveerd waarom appellante op haar achttiende verjaardag ([geboortedag] 2005) en in de vijf jaar erna over arbeidsvermogen beschikte. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 19 januari 2022 desgevraagd toegelicht waarom geen van de bij appellante vastgestelde aandoeningen (op urologisch, neurologisch of psychisch terrein) aanleiding geeft voor een urenbeperking of een beperking in de vorm van minder dan vier uur per dag belastbaar zijn. Over de vraag of mogelijk binnen vijf jaar nadien sprake is geweest van een verslechterde medische situatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat de gestelde diagnoses borderline- en OCD persoonlijkheidsstoornis geen aanleiding geven voor het aannemen van meer of zwaardere beperkingen, ook niet ten aanzien van het oordeel dat appellante minimaal vier uren kan werken. De rechtbank heeft overwogen dat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep steun vindt in de beschikbare gegevens waaruit blijkt dat appellante in die periode opleidingen heeft gevolgd, en deze met goed gevolg heeft afgerond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep verder inzichtelijk gemotiveerd waarom appellante in staat was een taak in een arbeidsorganisatie uit te voeren en waarom zij over basale werknemersvaardigheden beschikte. De rechtbank heeft overwogen dat het bestreden besluit eerst met het rapport van 19 januari 2022 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van een toereikende motivering is voorzien. De rechtbank heeft deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. De rechtbank heeft in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding gezien om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en tot vergoeding van het griffierecht. Het hoger beroep van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante betwist dat zij over arbeidsvermogen beschikte. Appellante heeft aangevoerd dat zij op haar achttiende verjaardag en in de vijf jaar erna niet ten minste vier uur per dag belastbaar was als gevolg van PTSS en de combinatie van PTSS met fibromyalgie. Van een borderline stoornis was geen sprake volgens appellante. Haar psychische klachten en fysieke aandoeningen waren zodanig ernstig dat zij veelvuldig school, studie en werk heeft verzuimd. De PTSS zorgt voor een wisselende belastbaarheid bij appellante. Appellante heeft toegelicht dat zij van alles geprobeerd heeft en allerlei baantjes heeft gehad, maar na enkele maanden steeds weer uitviel. Appellante heeft onder verwijzing naar het Korošec-arrest verzocht om inschakeling van een onafhankelijk deskundige omdat er twijfel is over de juistheid van het medische standpunt van het Uwv. Het oordeel van de Raad 4.1. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om de Wajong-uitkering te weigeren in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4.2. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak. 4.3. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.