22/763 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 1 augustus 2017, 14/874 WWB en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [verzoeker] te Frans-Guyana (verzoeker) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak: 1 augustus 2023 PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van 1 augustus 2017 en om veroordeling tot vergoeding van schade. Verzoeker heeft een nadere uiteenzetting gegeven en nadere stukken ingediend. Het college heeft een reactie op het herzieningsverzoek ingediend. Verzoeker heeft de Raad gevraagd om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. De Raad heeft het college laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en het college gevraagd of hij het daarmee eens is. Omdat het college daarna niet om een zitting heeft gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek op 24 juli 2023 gesloten. OVERWEGINGEN Samenvatting De Raad beoordeelt in deze zaak het verzoek om de uitspraak van 1 augustus 2017, die onherroepelijk is, te herzien. De Raad zal het verzoek om herziening afwijzen. Verzoeker heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de Raad die uitspraak zou kunnen herzien. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Inleiding 1.1. Met een besluit van 12 september 2013 heeft het college de aanvraag om bijstand van verzoeker afgewezen op grond van artikel 11, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), omdat hij geen verblijfsrecht heeft op grond waarvan recht op bijstand bestaat. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit van 24 oktober 2013 bij de afwijzing van de aanvraag om bijstand gebleven. De rechtbank heeft met de uitspraak van 16 januari 2014 het beroep tegen het besluit van 24 oktober 2013 ongegrond verklaard. 1.2. De Raad heeft bij tussenuitspraak van 28 oktober 2016 geconcludeerd dat verzoeker ten tijde van de aanvraag wel rechtmatig in Nederland verbleef. Het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de WWB kon daarom niet ten grondslag worden gelegd aan de afwijzing van zijn aanvraag om bijstand. De Raad heeft het college opgedragen binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 24 oktober 2013 te herstellen. 1.3. Met een besluit van 2 november 2016 heeft het college uitvoering gegeven aan de tussenuitspraak en het bezwaar tegen het besluit van 12 september 2013 gegrond verklaard. Met het besluit van 9 november 2016 heeft het college vervolgens bijstand aan verzoeker toegekend over de periode van 15 juli 2013 tot en met 3 april 2014. Het college heeft in hetzelfde besluit de bijstand per 4 april 2014 beëindigd omdat verzoeker vanaf die datum niet meer in Nederland woont. Met het besluit van 28 april 2017 heeft het college € 775,- aan verschuldigde wettelijke rente toegekend. Voor het overige heeft het college het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 1.4. Met de uitspraak van 1 augustus 2017 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 16 januari 2014 vernietigd, het beroep tegen het besluit van 24 oktober 2013 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het beroep tegen de besluiten van 6 (lees: 2) en 9 november 2016 en van 28 april 2017 ongegrond verklaard. De Raad heeft het in hoger beroep ingediende verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade afgewezen. 1.5. Verzoeker heeft met een verzoek van 14 augustus 2017 een eerste maal om herziening van de uitspraak van 1 augustus 2017 en om veroordeling tot vergoeding van schade gevraagd. De Raad heeft met de uitspraak van 14 augustus 2018 beide verzoeken afgewezen. 1.6. Verzoeker heeft met een brief, ontvangen op 10 februari 2022, voor een tweede maal om herziening van de uitspraak van 1 augustus 2017 gevraagd en om veroordeling tot vergoeding van schade. Het oordeel van de Raad 2. Het wettelijk kader dat voor de beoordeling van het herzieningsverzoek belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 2.1. De Raad kan een onherroepelijk geworden uitspraak herzien als zich feiten of omstandigheden voordoen die (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.