223406 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 oktober 2022, 21/252 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 16 augustus 2023 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft op 18 januari 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft hiertegen gronden aangevoerd. Partijen hebben over en weer gereageerd. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN
- Appellante ontving vanaf 22 april 2019 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 100%. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 2 juli 2020 de WGA-uitkering beëindigd per 3 september 2020, op de grond dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Bij beslissing op bezwaar van 20 januari 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de beslissing op bezwaar van 20 januari 2020 ongegrond verklaard.
- Tijdens de procedure in hoger beroep heeft het Uwv op 18 januari 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarin het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 juli 2020 alsnog gegrond is verklaard. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Dat betekent dat de WGA-uitkering ten onrechte is beëindigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat er sprake is van duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen. 3.
- Appellante heeft te kennen gegeven dat zij kan instemmen met de gegrondverklaring van het bezwaar en het voortzetten van de WIA-uitkering per 3 september
- Ook kan zij zich verenigen met 29 juni 2020 als ingangsdatum van de IVA-uitkering. Appellante heeft de Raad verzocht een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de bezwaarzaak en een proceskostenveroordeling uit te spreken voor de kosten van verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep. 3.
- Verder heeft appellante erop gewezen dat in de gewijzigde beslissing op bezwaar niet is vastgesteld dat appellante vanaf 29 september 2020 (lees: 29 juni 2020) in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- In de gewijzigde beslissing op bezwaar van 18 januari 2023 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 juli 2020 alsnog gegrond geacht. Onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 januari 2023 is vastgesteld dat er vanaf 29 juni 2020 sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. 4.
- Appellante heeft opgemerkt dat zij akkoord is met de toekenning van een IVA-uitkering per 29 juni
- Appellante mist echter in de nieuwe beslissing op bezwaar de formele vaststelling van de toekenning van de IVA-uitkering per 29 juni
- Op 31 mei 2023 heeft het Uwv aan de Raad bericht dat er per 29 juni 2020 aan appellante een IVA-uitkering wordt verstrekt. 4.
- Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
- Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.194,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en
- punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde van 597,- per punt), op € 1.674,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde van € 837,- per punt) en op € 1.255,50 in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 0,5 punt voor de reactie op de gewijzigde beslissing op bezwaar met een waarde van € 837,- per punt), in totaal € 4.123,50 voor verleende rechtsbijstand. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - verklaart het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk; - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.123,50; - bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus
- (getekend) F.M. Rijnbeek (getekend) E.X.R. Yi