211994 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2021, 20/6275 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 17 januari 2023 Zitting heeft: A.M. Overbeeke Griffier: J. Oosterveen Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
- Appellant ontving sinds 7 februari 2019 in aanvulling op zijn AOW-pensioen bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) naar de norm voor een alleenstaande.
- Naar aanleiding van een hercontrole heeft de Svb vastgesteld dat appellant nog een spaarrekening op zijn naam heeft staan. Bij brief van 27 juli 2020 heeft de Svb appellant verzocht om vóór 27 augustus 2020 alle bankafschriften over de periode februari 2019 tot en met juli 2020 te verstrekken. Appellant heeft hierop niet gereageerd.
- Bij brief van 28 augustus 2020 heeft de Svb appellant opnieuw verzocht de gevraagde bankafschriften over te leggen, nu vóór 16 september
- Hierbij heeft de Svb vermeld dat de betaling van de AIO-aanvulling kan stoppen indien hij niet reageert. Ook nu heeft appellant de gevraagde stukken niet verstrekt.
- Bij besluit van 22 september 2020 heeft de Svb het recht van appellant op AIO-aanvulling opgeschort vanaf oktober
- Tegen het besluit van 22 september 2020 heeft appellant op 1 oktober 2020 bezwaar gemaakt en bankafschriften over de periode juli 2019 tot en met 6 april 2020 verstrekt. Appellant heeft toegelicht dat hij heeft gespaard voor zijn zoon en dat het saldo hem toekomt.
- Bij besluit van 30 oktober 2020 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren ongegrond verklaard. Volgens de Svb is de opschorting terecht omdat appellant de gevraagde bankafschriften niet heeft verstrekt binnen de in de brieven van 27 juli 2020 en 28 augustus 2020 gestelde termijn.
- Bij brief van 30 oktober 2020 heeft de Svb appellant nogmaals verzocht om vóór 12 november 2020 de ontbrekende bankafschriften over de periode februari 2019 tot en met juli 2020 toe te sturen. Verder is appellant verzocht om aan te tonen dat hij niet over het vermogen op de spaarrekening kan of kon beschikken. Appellant heeft de gevraagde informatie niet verstrekt.
- Bij besluiten van 2 december 2020 heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellant met ingang van 7 februari 2019 ingetrokken en AIO-aanvulling teruggevorderd tot een bedrag van € 5.147,
- Volgens de Svb is uit het onderzoek gebleken dat appellant vermogen tot zijn beschikking heeft of heeft gehad in de vorm van een banksaldo. Omdat appellant de gevraagde informatie niet heeft verstrekt kan het recht op AIO-aanvulling niet worden vastgesteld. Appellant heeft tegen de besluiten van 2 december 2020 geen bezwaar gemaakt.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant tegen de besluiten van 2 december 2020 geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Appellant heeft volgens de rechtbank daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Anders dan appellant ter zitting heeft gesteld kan zijn beroepschrift tegen het bestreden besluit niet ook worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de besluiten van 2 december 2020, alleen al omdat het beroepschrift dateert van vóór die besluiten.
- De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit, waarbij de opschorting van de AIO-aanvulling met ingang van oktober 2020 is gehandhaafd, heeft voor appellant geen feitelijke betekenis meer, omdat de intrekking van de AIO-aanvulling vanaf deze maand in rechte vaststaat door de besluiten van 2 december
- Appellant heeft ook in hoger beroep betoogd dat het beroep tegen het opschortingsbesluit tevens had moeten worden opgevat als een bezwaarschrift tegen het intrekkingsbesluit. Deze stelling houdt geen stand, alleen al omdat die stelling niet nader is onderbouwd.
- Het hoger beroep slaagt dus niet. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) J. Oosterveen (getekend) A.M. Overbeeke