20 3725 WAJONG Datum uitspraak: 17 augustus 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 september 2020, 20/1343 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J. Kluivers, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kluivers. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. K. Ait Moha. Het onderzoek is heropend na de zitting. De Raad heeft anesthesioloog-pijnspecialist O.B.H.A.M. van Haagen als onafhankelijk deskundige benoemd. De deskundige heeft op 13 juli 2022 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze op het rapport gegeven. Op 13 november 2022 heeft de deskundige desgevraagd gereageerd op de zienswijzen. Partijen hebben hierop niet gereageerd. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. OVERWEGINGEN 1. Appellant, geboren op [geboortedag] 1999, heeft met een door het Uwv op 3 januari 2019 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellant lichamelijke klachten en beperkingen heeft voortkomende uit het zogenoemde Kopenhagen-syndroom. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van 24 juli 2017 van een revalidatiearts. Daarna is meer informatie van de revalidatiearts en informatie van de orthopedisch chirurg ingebracht. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 3 mei 2019 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellant arbeidsvermogen heeft. Bij besluit van 4 februari 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erkend dat het syndroom van Kopenhagen een zeer zeldzame aandoening is en heeft gesignaleerd dat publicaties over dit syndroom zeer schaars zijn. Op basis van de klachten die appellant heeft gepresenteerd, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hem op diverse gebieden beperkt geacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet ontkend dat appellant pijn heeft, maar ook toegelicht dat die klachten niet volledig uit de fysieke afwijkingen begrepen kunnen worden. Bij zijn onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de ongedateerde brief van de behandelend psycholoog betrokken, waarin is vermeld dat appellant lijkt te beschikken over een verminderd sociaal inzicht, verhoogde fantasie en aandacht voor details. Deze factoren kunnen volgens de psycholoog van invloed zijn op de pijnbeleving van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen reden is om aan te nemen dat appellant geen uur aaneengesloten kan werken en niet ten minste vier uur per dag belastbaar zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zijn onderzoek geen informatie gemist. Met de pijnbeleving van appellant is rekening gehouden. In beroep heeft appellant geen nieuwe medische informatie overgelegd die reden zouden kunnen zijn om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur en ten minste vier uur per dag belastbaar is. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderbouwd dat appellant in staat is om een taak uit te voeren in een arbeidsorganisatie en dat appellant basale werknemersvaardigheden heeft. Het Uwv heeft hiermee voldoende gemotiveerd dat en waarom appellant arbeidsvermogen heeft. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de verzekeringsartsen alleen summiere algemene informatie over het syndroom van Kopenhagen bij de beoordeling hebben betrokken. De verzekeringsarts heeft slechts een kort visueel lichamelijk onderzoek verricht. Nagelaten is informatie op te vragen bij prof. dr. N.M. Wulffraat die deze diagnose bij appellant heeft gesteld. Bovendien dateert het MRI-onderzoek alweer van enkele jaren geleden terwijl bekend is dat de ziekte progressief is tot 24-jarige leeftijd. Om vast te stellen dan wel uit te sluiten dat sprake is van een toename van de vergroeiing in de rug die een toename van pijn verklaart, zou een opvolgend MRI-onderzoek moeten worden gedaan. Appellant heeft aangevoerd dat de verzekeringsartsen een aantal diagnoses, waaronder de diagnoses zware hoofdpijn en depressieve klachten, niet hebben overgenomen. Appellant heeft herhaald dat hij geen arbeidsvermogen heeft, omdat hij niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur en niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Appellant heeft erop gewezen dat de orthopedisch chirurg op 1 juni 2017 een expectatief beleid heeft geadviseerd, maar wel opnieuw een revalidatietraject, omdat appellant nu vanwege pijnklachten erg beperkt is. Appellant heeft er daarnaast op gewezen dat de revalidatiearts op 29 maart 2019 over de prognose heeft laten weten dat hij denkt dat de aanzienlijke standsafwijking die is ontstaan, belastend voor appellant zal zijn in het dagelijks leven. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een rapport van 28 januari 2021 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die: a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.