Datum uitspraak: 22 augustus 2023 21/1953 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2021, 20/3420 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.L. Wittensleger, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Bij brief van 3 november 2022 heeft mr. Wittensleger namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Vastgesteld wordt dat appellant het hoger beroep heeft ingetrokken naar aanleiding van een brief van het college van 18 oktober 2022, waarin het college heeft aangegeven geen materieel belang meer te zien in het hoger beroep. Het college heeft alsnog een medische keuring laten plaatsvinden waarbij appellant tijdelijk is ontheven van loonvormende arbeid en maatschappelijke participatie. Hiermee is volledig tegemoetgekomen aan appellant. In de brief van 18 oktober 2022 heeft het college tevens laten weten geen verweer te zullen voeren tegen een verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.194,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het (telefonisch) verschijnen ter hoorzitting), € 1.674,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 837,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift). BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van €3.705; - bepaalt dat het college aan appellante het voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 182,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door C.E.M. Marsé, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2023. (getekend) C.E.M. Marsé (getekend) A. Giesen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.