← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2023:1621

Datum uitspraak: 22 augustus 2023 23/57 PW, 23/58 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2022, 22/5592 (aangevallen uitspraak) en de verzoeken om een voorlopige voorziening. Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. T. de Heer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij brief van 21 april 2023 heeft mr. De Heer namens appellante zowel het hoger beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Vastgesteld wordt dat appellante het hoger beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingetrokken naar aanleiding van het bericht van het college van 20 april 2023, waarbij is besloten om aan appellante per eerste aanvraagdatum bijstand te verlenen naar de norm voor een kostendeler. Hiermee is volledig aan appellante tegemoetgekomen. Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep en de voorlopige voorzieningen redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 2.388,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting), € 2.511,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 1.674,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift). Daarnaast zal het college het door appellante voor het beroep en het hoger beroep en de voorlopige voorzieningen betaalde griffierecht moeten vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 6.573,-; bepaalt dat het college aan appellante het voor het beroep en het hoger beroep en de voorlopige voorzieningen betaalde griffierecht van in totaal € 372,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door C.E.M. Marsé, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2023. (getekend) C.E.M. Marsé (getekend) A. Giesen

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.