212985 WAJONG Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 juli 2021, 20/3339 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 23 augustus 2023 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. F.M. Meis, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2023. Namens appellante is mr. Meis via videobellen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren op [geboortedag] 1989, heeft met een door het Uwv op 22 maart 2019 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante hoofdpijnaanvallen, luxaties en subluxaties in meerdere gewrichten, zwellingen en ontstekingen en vermoeidheid en pijn heeft. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van een revalidatiearts van 14 januari 2018, waarin de diagnoses Ehlers Danlos type hypermobiliteit, chronische hoofdpijnklachten en fibromyalgie zijn vermeld. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 12 augustus 2019 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellante arbeidsvermogen heeft. 1.2. In bezwaar heeft appellante aanvullende medische stukken overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat zij niet beschikt over arbeidsvermogen. Bij besluit van 14 april 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv vervolgens het door appellante tegen het besluit van 12 augustus 2019 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 april 2020 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 9 maart 2020 ten grondslag. 2.1. In beroep heeft appellante een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig rapport van het Expertise Instituut van 1 oktober 2020 overgelegd. 2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk uiteengezet dat appellante op haar achttiende verjaardag of tijdens studie in medische zin beschikt over arbeidsvermogen. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de verzekeringsartsen de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bij appellante onjuist hebben vastgesteld. Er is geen sprake van een onderliggende zeer ernstige somatische of psychiatrische aandoening die een dermate sterk afgenomen energieniveau aannemelijk maakt dat appellante geen vier uur per dag belastbaar is onder geheel passende omstandigheden. Voorts biedt het in beroep overgelegde expertiserapport geen grond voor twijfel aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde mogelijkheid om ten minste vier uur per dag belastbaar te zijn. De rechtbank kan zich verenigen met de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dit rapport dat bij de medische beoordeling, naast de pijnklachten die verband houden met hypermobiliteit en fibromyalgie, ook rekening is gehouden met de chronische hoofdpijnklachten van appellante. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden dan ook geen aanleiding om een deskundige in te schakelen. De rechtbank is voorts van oordeel dat het Uwv met de arbeidskundige rapporten voldoende heeft gemotiveerd waarom appellante een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie en over basale werknemersvaardigheden beschikt. Het Uwv is op goede gronden tot het besluit gekomen dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij voldoet aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering, zoals blijkt uit het in beroep overgelegde rapport van het Expertise Instituut. Het rapport voldoet aan de eisen van een verzekeringsgeneeskundig rapport en is daarmee gelijkwaardig aan de rapporten van het Uwv. De rechtbank had daarom een deskundige moeten benoemen, omdat zij zelf niet de vereiste deskundigheid heeft om een voorkeur te geven aan één van beide rapporten. Appellante verzoekt de Raad daarom om een onafhankelijk deskundige te benoemen. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die: a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. 4.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.