← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2023:1688

192324 WAJONG Datum uitspraak: 30 augustus 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 11 april 2019, 18/1183 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft [gemachtigde] , gemachtigde, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De Raad heeft J.J.D. Tilanus, psychiater, benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 8 september 2022 een rapport uitgebracht. Het Uwv heeft op het rapport van Tilanus gereageerd en op 15 november 2022 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen niet hebben verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad op het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten. OVERWEGINGEN 1.

  1. Appellant heeft een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 17 oktober 2017 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellant nu weliswaar geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is. 1.
  2. Bij besluit van 18 april 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 17 oktober 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
  3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3.
  4. Naar aanleiding van het door de deskundige opgestelde rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 11 oktober 2022 geconcludeerd dat appellant wel volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Bij beslissing op bezwaar van 15 november 2022 heeft het Uwv kenbaar gemaakt dat de weigering van de Wajong-uitkering daarom niet wordt gehandhaafd en dat appellant met ingang van 26 september 2017 recht heeft op Wajong-uitkering. 3.
  5. Appellant heeft – ondanks meerdere verzoeken daartoe – niet gereageerd op de nieuwe beslissing op bezwaar van 15 november
  6. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  7. Vastgesteld wordt dat het Uwv met het nieuwe besluit van 15 november 2022 volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant tegen het besluit van 18 april
  8. Het hoger beroep wordt niet met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 15 november 2022 omdat partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Dit besluit wordt daarom niet in dit geding betrokken. 4.
  9. Appellant heeft het hoger beroep tegen het besluit van 18 april 2018 niet ingetrokken. Evenmin heeft appellant desgevraagd laten weten welk belang hij nog meent te hebben bij het hoger beroep tegen dit besluit. Doordat het Uwv volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant, is wat appellant met het hoger beroepschrift nastreefde al volledig bereikt. Dit betekent dat appellant geen in rechte te respecteren procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Het hoger beroep van appellant zal wegens het vervallen van het procesbelang, niet-ontvankelijk worden verklaard.
  10. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, in beroep begroot op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Niet is gebleken dat de werkzaamheden van de gemachtigde in hoger beroep kunnen worden aangemerkt als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Appellant heeft desgevraagd ook niet aangegeven welke andere kosten hij redelijkerwijs in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat daarom geen aanleiding. Wel dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.674,-; bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus
  11. (getekend) M. Schoneveld (getekend) S. Pouw

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.