21 42 WAJONG Datum uitspraak: 26 januari 2023 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 november 2020, 19/3219 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.J. Jacobs-Hellebrekers hoger beroep ingesteld en verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jacobs-Hellebrekers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Heijnen-Veldman. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, geboren op [geboortedatum] 1997, heeft met een door het Uwv op 23 januari 2017 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat hij chronische vermoeidheid na behandeling wegens acute lymfatische leukemie heeft. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 21 november 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant geen arbeidsvermogen heeft maar wel arbeidsvermogen kan ontwikkelen en aan appellant een Indicatie banenafspraak toegekend. 1.2. Appellant heeft met een door het Uwv op 17 januari 2019 ontvangen formulier opnieuw een aanvraag ingediend om een Wajong-uitkering. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 25 maart 2019 heeft het Uwv de aanvraag van appellant afgewezen. Gesteld is dat appellant geen arbeidsvermogen heeft, maar dit in de toekomst mogelijk wel kan ontwikkelen. Bij besluit van 21 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2.1. Appellant heeft in beroep een eindrapport van een behandelteam van het PHI van 15 september 2020 overgelegd. Het Uwv heeft in reactie hierop een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 oktober 2020 ingezonden. 2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank hebben de verzekeringsartsen een zorgvuldig onderzoek verricht. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv toereikend heeft gemotiveerd dat appellant op zijn achttiende verjaardag weliswaar geen arbeidsvermogen had, maar dat het ontbreken van arbeidsvermogen geen duurzaam karakter heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat de internist-hematoloog G. van Gorkom geen duidelijk antwoord heeft gegeven op de vraag waarom appellant geen baat zou kunnen hebben bij een multidisciplinaire revalidatie, zoals die door andere specialisten werd voorgesteld. Er is bij appellant namelijk gebleken van een duidelijke overgang van een redelijk normaal functioneren naar het huidige disfunctioneren. Ondanks het feit dat chemotherapie een langdurige nawerking kan hebben in de vorm van een snellere vermoeidheid, is het onwaarschijnlijk dat het huidige volledige disfunctioneren louter een gevolg is van de chemotherapie van vijftien jaar geleden. De reeds eerder voorgestelde multidisciplinaire revalidatie kan een prima manier zijn om uit de genoemde negatieve spiraal te geraken en daardoor weer een normaal leven te kunnen leiden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank deugdelijk aangegeven dat er nog geen situatie is van een aandoening zonder behandelmogelijkheden, omdat een adequate behandeling nog mogelijk is en de vermoeidheid kan doen afnemen, waardoor appellant alsnog vier uur per dag belastbaar kan zijn. 2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft geweigerd een Wajong-uitkering aan appellant toe te kennen. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep het eerdere standpunt herhaald dat hij in de toekomst niet over arbeidsvermogen zal beschikken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij informatie van de internist-hematoloog Van Gorkom van 31 mei 2021 en 11 november 2021 overgelegd. De internist-hematoloog heeft gesteld dat appellant na de diagnose acute lymfatische leukemie in 2003 en de behandeling in de jaren daarna, nooit meer goed heeft gefunctioneerd en dat er altijd sprake is geweest van extreme vermoeidheid en verminderde belastbaarheid. Appellant is behandeld in de psychiatrie en heeft al een multidisciplinair traject doorlopen, echter zonder effect op de chronische vermoeidheid en de belastbaarheid. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 augustus 2021 en 17 november 2022. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.