18 5514 WIA Datum uitspraak: 1 februari 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 september 2018, 17/5882 (aangevallen uitspraak) Partijen: de erven en/of rechtverkrijgenden van [appellant] , laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E. Gadzo, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Op 30 januari 2020 is een comparitie gehouden. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Het Uwv heeft nadere stukken ingediend. Bij brief van 22 april 2020 heeft mr. U. Santi, advocaat, zich als gemachtigde van appellant [appellant] gesteld. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De Raad heeft psychiater prof. dr. H.J.C. van Marle als deskundige benoemd. Op 25 oktober 2021 heeft de deskundige een rapport uitgebracht. Partijen hebben zienswijzen ingebracht. Het Uwv heeft op 2 mei 2022 een nieuw besluit genomen. Namens appellant heeft mr. Santi bij brief van 19 juli 2022 het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant is op [sterfdatum] 2022 overleden. De erven hebben de procedure voortgezet. Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Het hoger beroep is ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 2 mei 2022 geheel aan de bezwaren is tegemoetgekomen. Appellant heeft vergoeding van kosten van verleende rechtsbijstand geclaimd in bezwaar, beroep en hoger beroep en heeft een factuur van de door hem in hoger beroep ingeschakelde medisch adviseur T. den Daas ingediend. De facturen bedragen in totaal € 5.338,41 inclusief btw en zien op de werkzaamheden voor op 4 december 2018, 14 november 2019, 3 september 2020, 16 oktober 2020, 14 maart 2021 en 11 november 2021 opgestelde rapporten. Er zijn geen rapporten van 14 november 2019 en 14 maart 2021 ingediend, zodat de geclaimde kosten hiervoor niet voor vergoeding in aanmerking komen. De facturen voor de overige rapporten zijn gespecificeerd naar uren voor (telefonisch) overleg, spreekuur, reistijd en rapporteren alsmede naar een kilometervergoeding. Op grond van artikel 2, eerste lid onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wordt de vergoeding van de kosten van een door een partij ingeschakelde deskundige vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Bij het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts) zijn deze tarieven vastgesteld. Artikel 2 van het Bts is van toepassing op de vergoeding van de door de medisch adviseur Den Daas verrichte onderzoeken. In dit artikel is bepaald dat ten hoogste respectievelijk € 122,63
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.