← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2023:327

213950 AOW Datum uitspraak: 22 februari 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2021, 21/128 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een nader stuk ingediend. De Svb heeft vragen van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari

  1. Namens appellante is [A.] verschenen, ex-schoonzoon van appellante. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg. OVERWEGINGEN Feiten 1.
  2. Appellante woont in Marokko en is op [trouwdatum] 1977 gehuwd. Haar echtgenoot heeft vanaf 1970 tot 1983 in Nederland gewoond en gewerkt. Appellante heeft in Nederland gewoond van 12 juni 1982 tot 16 december
  3. De echtgenoot is voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) verzekerd geweest van 2 januari 1970 tot 3 oktober 1971, van 7 december 1971 tot 14 maart 1972, van 21 juni 1973 tot 16 augustus 1974 en van 27 februari 1975 tot 1 juli
  4. Hij is op [sterfdatum] 2008 overleden. In verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd heeft appellante een ouderdomspensioen bij de Svb aangevraagd. Besluitvorming Svb 1.
  5. De Svb heeft in een besluit van 8 april 2020 aan appellante met ingang van 1 november 2020 een ouderdomspensioen toegekend ter hoogte van 12% van het maximale AOWpensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde. 1.
  6. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft de Svb ongegrond verklaard in een besluit van 19 oktober 2020 (bestreden besluit). Daaraan is ten grondslag gelegd dat in de periode vanaf de datum van registratie van het huwelijk op 6 december 1978 tot en met 11 juni 1982 voor appellante huwelijkse tijdvakken in aanmerking worden genomen. De Svb heeft zich daarbij onder meer gebaseerd op het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko. Verder is appellante verzekerd geweest op grond van wonen in Nederland van 12 juni 1982 tot en met 16 december
  7. Appellante is in totaal 44 jaar, 11 maanden en 19 dagen niet verzekerd geweest voor de AOW. Dit levert een korting op van 88% (44 jaar x 2%), waardoor appellante recht heeft op 12% van het maximale voor haar geldende AOW-pensioen. Wat heeft de rechtbank geoordeeld?
  8. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de Svb terecht een korting van 88% op het ouderdomspensioen heeft toegepast, omdat appellante alleen verzekerd is geweest over de in het bestreden besluit genoemde tijdvakken. Verder is overwogen dat bij het bepalen van de hoogte van het AOW-pensioen geen rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de pensioengerechtigde. Wat hebben partijen aangevoerd? 3.
  9. Appellante heeft aangevoerd dat het ouderdomspensioen niet voldoende is om van te kunnen leven. 3.
  10. De Svb heeft bij brief van 14 december 2022 medegedeeld dat bij de vaststelling van de huwelijkse tijdvakken ten onrechte is uitgegaan van de datum waarop het huwelijk is geregistreerd op 6 december 1978, terwijl dit de datum van huwelijkssluiting op [trouwdatum] 1977 had moeten zijn. Op basis hiervan kan aan appellante een verzekerd huwelijks tijdvak worden toegekend van [trouwdatum] 1977 tot en met 11 juni
  11. Dit heeft tot gevolg dat appellante niet verzekerd is geweest voor de AOW van 1 november 1970 tot en met 16 oktober 1977 en van 17 december 1983 tot en met 31 oktober
  12. Naar beneden afgerond is dit 43 jaar, wat een korting van 86% oplevert. Appellante heeft hierdoor met ingang van 1 november 2020 recht op een ouderdomspensioen van 14% van het maximale voor haar geldende AOW-pensioen. De Svb heeft de Raad ter zitting verzocht zelf in de zaak te voorzien en de wijziging van het kortingspercentage in een uitspraak vast te leggen. Het oordeel van de Raad
  13. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  14. In geschil is of voor appellante meer verzekerde tijdvakken in aanmerking moeten worden genomen. 4.
  15. Gelet op het onder 3.2 nader ingenomen standpunt van de Svb moet het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1 november 2020 worden verhoogd naar 14%. Alleen al om deze reden komen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Hierna wordt onderzocht of de Raad zelf in de zaak kan voorzien. 4.
  16. Appellante is uiteindelijk door de Svb verzekerd geacht over de tijdvakken van [trouwdatum] 1977 tot en met 11 juni 1982 en van 12 juni 1982 tot en met 16 december
  17. Van meer verzekerde tijdvakken dan door de Svb onder 3.2 heeft aangenomen, is niet gebleken. 4.
  18. De niet verzekerde periodes hebben terecht geleid tot een korting van in totaal 86%. Daarbij wordt opgemerkt dat de omstandigheid dat appellante financieel niet rond kan komen van haar ouderdomspensioen, er niet toe kan leiden dat zij recht heeft op een hoger pensioen. Conclusie 4.
  19. Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. Het besluit van 8 april 2020 moet worden herroepen voor zover daarbij de korting op het ouderdomspensioen van appellante is bepaald op 88%. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door de korting vast te stellen op 86%. Dit betekent dat het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1 november 2020 wordt verhoogd naar 14% van het maximale voor haar geldende ouderdomspensioen.
  20. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 oktober 2020; herroept het besluit van 8 april 2020 voor zover daarbij de korting op het ouderdomspensioen is bepaald op 88% en stelt deze korting vast op 86%; bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 8 april 2020; bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 49,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van Y.S.S. Fatni als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari
  21. (getekend) M. Wolfrat (getekend) Y.S.S. Fatni Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.