181714 WIA, 18/4057 WIA Datum uitspraak: 22 februari 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2018, 17/5828 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar van 5 juli 2018 overgelegd. Appellant heeft een rapport van 23 oktober 2020 van verzekeringsarts E.C. van der Eijk ingebracht waarop het Uwv met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gereageerd. Op vragen van de Raad heeft het Uwv gereageerd met rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Bij brief van 6 december 2021 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar van 6 december 2021 ingezonden. Bij e-mailberichten van 18 februari 2022 en 21 maart 2022 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten waaronder de nota’s van de door appellant ingebrachte medische rapporten. Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in reactie daarop in te dienen. Met toepassing van artikel 8:57 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een onderzoek ter zitting achterwege gelaten. De Raad heeft het onderzoek daarop gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 6 december 2021 volledig aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Tevens heeft appellant verzocht om vergoeding van de kosten voor het inschakelen van de medisch deskundige. Het Uwv heeft ten aanzien van het verzoek om een kostenvergoeding van de door appellant ingeschakelde medisch deskundige (verzekeringsarts) het standpunt ingenomen dat de kosten van administratieve en secretariële ondersteuning niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp) daarin niet voorziet. Het Uwv heeft ter ondersteuning van zijn standpunt gewezen op de uitspraak van de Raad van 19 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:
- Kosten in verband met het bezwaar en beroep Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit van 24 augustus 2017 vernietigd en het Uwv veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht in beroep. Met de intrekking van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak staat deze proceskostenveroordeling in rechte vast, zodat op grond daarvan geen aanleiding bestaat het Uwv thans te veroordelen tot vergoeding van de in bezwaar en in beroep gemaakte (proces)kosten. Dit dient ook te gelden voor de kosten in verband met het door appellant in beroep overgelegde rapport van de deskundige. Daarbij wordt opgemerkt dat het Uwv in zijn beslissing op bezwaar van 5 juli 2018 heeft toegezegd de kosten in verband met het bezwaar te vergoeden. Kosten in verband met het hoger beroep Voor wat betreft het hoger beroep bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten voor rechtsbijstand die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden ingevolge het Bpb begroot op € 837,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift met een wegingsfactor 1) voor verleende rechtsbijstand. Kosten in verband met het rapport van de deskundige in hoger beroep In hoger beroep heeft appellant een (nader) rapport van 23 oktober 2020 van verzekeringsarts Van der Eijk overgelegd. De kosten die appellant in hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken voor het inschakelen van een medisch deskundige komen gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten worden berekend met overeenkomstige toepassing van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts). Voor deze kosten heeft appellant een vergoeding verzocht van € 604,52 (inclusief omzetbelasting). Dit betreft een bedrag in verband met 180 minuten (3 uur) aan advisering door de verzekeringsarts, 96 minuten aan administratieve werkzaamheden en een administratieve handeling. Deze vordering komt gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking. De uren van de verzekeringsarts komen voor vergoeding in aanmerking tegen het in het Bts vermelde uurtarief. Voor het jaar 2020 geldt een uurtarief van € 129,
- De overige administratieve werkzaamheden komen op grond van artikel 1 van het Bpb niet voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van de kosten van het door de verzekeringsarts opgemaakte rapport van 23 oktober 2020 wordt als volgt berekend: 3 uur x € 129,63 = € 388,
- Op grond van artikel 15 van het Bts worden de bedragen verhoogd met de ook in de factuur vermelde omzetbelasting van 21% die daarover is verschuldigd. Dat is in dit geval een bedrag van € 81,
- De vergoeding voor de kosten van de verzekeringsarts in hoger beroep bedraagt in totaal dus € 470,
- Conclusie De totale kostenveroordeling, bestaande uit kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en deskundigenkosten, bedraagt hiermee € 837,- + € 470,56 = € 1.307,
- Voor vergoeding van het betaalde griffierecht in hoger beroep kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.307,
- Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari
- (getekend) C.F.E. van Olden-Smit (getekend) E.X.R. Yi