222074 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 juni 2022, 21/4274 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 22 februari 2023 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft op 10 oktober 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN
- Appellant is werkzaam geweest als magazijnmedewerker. Hij heeft zich voor dit werk ziek gemeld op 30 juli
- Het Uwv heeft hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 26 februari 2021 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 27 maart 2021 beëindigd. Bij het besluit van 13 juli 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 februari 2021 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
- Tijdens de procedure in hoger beroep heeft het Uwv op 10 oktober 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarin het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 februari 2021 alsnog gegrond is verklaard en is bepaald dat de ZW-uitkering per 27 maart 2021 wordt voortgezet. Appellant heeft te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met deze gewijzigde beslissing op bezwaar.
- De Raad oordeelt als volgt.
- In de gewijzigde beslissing op bezwaar van 10 oktober 2022 is de ZW-uitkering van appellant per 27 maart 2021 voortgezet. Hiermee is volledig tegemoet gekomen aan het hoger beroep van appellant. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
- Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.674,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en op € 837,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift), in totaal € 2.511,- voor verleende rechtsbijstand. Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.511,-; bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari
- (getekend) T. Dompeling (getekend) M.D.F. de Moor