← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2023:388

21341 MAW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2020, 20/3882 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris) Datum uitspraak: 23 februari 2023 Zitting heeft: L.M. Tobé, als lid van de enkelvoudige kamer Griffier: D. Al-Zubaidi Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.I. van Os. Namens de staatssecretaris is verschenen mr. H. Zilverberg. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

  1. Appellant was van 1 juli 2012 tot 17 juli 2017 geplaatst in België en vervolgens op Curaçao. Zijn zoon volgde een hbo-opleiding in België. Hiervoor ontving appellant een verhoogde toelage-buitenland op grond van artikel 9, tweede lid, van het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (VBD), die heeft doorgelopen tot 1 augustus 2019, de datum waarop de studie van zijn zoon eindigde.
  2. Met een besluit van 29 januari 2020, aangevuld op 9 maart 2020, en na bezwaar gehandhaafd met het besluit van 24 april 2020 (bestreden besluit), heeft de staatssecretaris de aanvraag van appellant om herberekening van de verhoogde toelage-buitenland over de periode van 17 juli 2017 tot 1 augustus 2019 op grond van artikel 9, derde lid, van het VBD, afgewezen. Volgens de staatssecretaris voldoet appellant in deze periode niet aan de in artikel 9 van het VBD opgenomen voorwaarden voor een verhoogde toelage-buitenland en bestaat ook geen aanleiding om toepassing te geven aan de hardheidsclausule in artikel 28 van het VBD.
  3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de staatssecretaris toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule in artikel 28 van het VBD, omdat het VBD niet voorziet in een verhoogde toelage-buitenland in een situatie waarin sprake is van een plaatsing van buitenland naar buitenland en het kind zijn studie voortzet in het buitenland waar de defensieambtenaar het eerst was geplaatst. Deze beroepsgrond slaagt niet.
  5. In artikel 9 van het VBD is, kort samengevat, bepaald dat de in het buitenland geplaatste defensieambtenaar met kinderen tot 25 jaar onder de daar vermelde voorwaarden aanspraak heeft op een verhoogde toelage-buitenland. Hiermee is een algemene regeling getroffen voor deze defensieambtenaren. Deze regeling geldt ook voor defensieambtenaren die, zoals appellant, geplaatst worden van buitenland naar buitenland. Het bepaalde in artikel 28 van het VBD, waarop appellant zich beroept, ziet op individuele gevallen waarin de bijzondere omstandigheden van het geval een afwijking van het bepaalde in de regeling kunnen rechtvaardigen. Wat appellant heeft aangevoerd, ziet daarop niet. De staatssecretaris heeft in zijn afweging kunnen betrekken dat het een persoonlijke keuze van appellant is om te solliciteren naar een functie op Curaçao, terwijl zijn zoon zijn studie in België wilde voortzetten. Dat appellant voor deze functie is voorgedragen, maakt dit niet anders.
  6. De conclusie is dus dat de staatssecretaris heeft mogen afzien van de toepassing van artikel 28 van het VBD. Dit brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) D. Al-Zubaidi (getekend) L.M. Tobé Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.