204247 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 oktober 2020, 20/110 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college) Datum uitspraak: 21 februari 2023 Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte als lid van de enkelvoudige kamer Griffier: N. van der Horn Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Linders. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het college heeft de aanvraag om bijstand van appellante van 12 augustus 2019 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling gesteld bij besluit van 22 oktober
- Na het bezwaar van appellante heeft het college deze beslissing gehandhaafd bij besluit van 6 januari 2020 (bestreden besluit). De grondslag van dat besluit is dat appellante de door het college gevraagde gegevens, met name afschriften van de bankrekening van haar vader waarvoor zij gemachtigd is, van de bankrekening van haar minderjarige zoon en afschriften over de periode van 30 augustus 2019 tot en met 17 september 2019 van een bankrekening op haar eigen naam, niet heeft verstrekt, ook niet nadat haar daartoe tweemaal een nadere termijn was gegeven. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De gevraagde gegevens waren, anders dan appellante in hoger beroep wederom aanvoert, van belang voor de beoordeling van de aanvraag. Voor deze beoordeling is de financiële situatie van de aanvrager namelijk een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Recente bankgegevens bieden inzicht in de financiële situatie van appellante en zijn daarom van belang voor een goede beoordeling van de aanvraag. Dit geldt ook voor de afschriften die zien op de periode vanaf de aanvraagdatum. Die zijn immers nodig om de omvang van het recht op bijstand vast te stellen. Het college was, anders dan appellante opnieuw aanvoert, ook niet gehouden in de herstelbrief verder uit te leggen welke gegevens nog ontbraken. In de brief is te kennen gegeven welke gegevens appellante moest overleggen en welke zij al wel had overgelegd. Daaruit blijkt voldoende duidelijk welke gegevens nog ontbraken. De beroepsgrond van appellante dat zij niet over de gevraagde gegevens kon beschikken omdat de bank de afschriften pas in de eerste dagen van de volgende maand ter beschikking stelt, slaagt niet. Gevraagd was om de afschriften tot en met 17 september
- De tweede en laatste keer dat appellante in de gelegenheid werd gesteld de aanvraag aan te vullen was bij brief van 3 oktober
- Toen bestond het afschrift over september 2019 volgens de gegevens van de bank al. Nu de hersteltermijn liep tot 18 oktober 2019, valt niet in te zien waarom appellante de gevraagde gegevens niet tijdig heeft kunnen verstrekken. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) N. van der Horn (getekend) O.L.H.W.I. Korte