← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2023:538

21 2513 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 juli 2021, 20/6300 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 21 maart 2023 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft partijen gewezen op hun recht om ter zitting te worden gehoord. Partijen hebben niet binnen de hen gegeven termijn verklaard dat zij gebruik wil maken van dat recht. Daarom heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarna heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten. OVERWEGINGEN

  1. In deze zaak beoordeelt de Raad een herziening van bijstand naar de kostendelersnorm. 1.
  2. Appellante ontvangt per 1 november 2019 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. In aanvulling daarop ontvangt zij vanaf december 2019 op grond van de Participatiewet (PW) een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante woont op adres X. 1.
  3. Sinds 27 mei 2020 is ook de dochter van appellante (A) op adres X woonachtig. 1.
  4. Bij besluit van 17 juni 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 september 2020 (bestreden besluit), heeft de Svb de AIO-aanvulling met ingang van juni 2020 herzien, omdat A vanaf 27 mei 2020 op adres X staat ingeschreven en als kosten delende medebewoner wordt aangemerkt. Het feit dat A geen inkomsten heeft, maakt dat volgens de Svb niet anders.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  6. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
  7. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  8. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 juni 2020 tot en met 17 juni
  9. 4.
  10. Tussen partijen is niet in geschil dat A voldoet aan de omschrijving van een kosten delende medebewoner als bedoeld in de aanhef van artikel 19a, eerste lid, van de PW en dat zij niet valt onder de daarna in het eerste lid onder a tot en met d beschreven situaties. 4.
  11. De gronden van het hoger beroep komen erop neer dat appellante de kosten niet met A kan delen en dat daarom van de kostendelersnorm moet worden afgeweken. A kwam net terug uit het buitenland en had onderdak nodig. A staat onder bewind en kan niet door middel van arbeid inkomen verwerven. Ook is het voor haar niet goed mogelijk een bijstandsuitkering aan te vragen. 4.
  12. De gronden slagen niet. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat bij toepassing van de kostendelersnorm niet relevant is of de medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. Dit is vaste rechtspraak. De door appellante genoemde omstandigheden geven geen aanleiding om van de kostendelersnorm af te wijken. De PW biedt geen grondslag voor afwijking van de kostendelersnorm op de grond dat toepassing ervan leidt tot een onbillijke situatie. Ook dit is vaste rechtspraak. Bovendien heeft de wetgever er bewust voor gekozen om de kostendelersnorm ook van toepassing te laten zijn op personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als een bloedverwant in de eerste graad en waarbij sprake is van een zorgbehoefte. De opvang en zorg die appellante aan haar dochter verleent, kan er daarom op zichzelf niet toe leiden dat de Svb van de kostendelersnorm afwijkt. 4.
  13. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, omdat de gronden van het hoger beroep niet slagen.
  14. Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Slotsom
  15. De kostendelersnorm blijft ongewijzigd van toepassing. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van N. van der Horn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart
  16. (getekend) P.W. van Straalen (getekend) N. van der Horn Artikel 19a, eerste lid, van de PW luidt: In deze paragraaf wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet: a. de echtgenoot van belanghebbende is; b. op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de belanghebbende, in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft; c. op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de belanghebbende een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger; of d. een persoon is die: 1°. onderwijs volgt waarvoor aanspraak op studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 kan bestaan en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die studiefinanciering; 2°. onderwijs volgt waarvoor aanspraak kan bestaan op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die tegemoetkoming; 3°. een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg volgt; 4°. een vergelijkbaar soort onderwijs of beroepsopleiding als bedoeld onder 1° tot en met 3° volgt buiten Nederland, waarbij voor onder 1° en 2° geldt dat hij op enig moment tijdens dat onderwijs jonger dan 30 jaar is of in de maand van aanvang de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt. CRvB van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:
  17. CRvB van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:
  18. Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.