21 2686 WAJONG Datum uitspraak: 30 maart 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2021, 20/2204 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. Benali, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 29 november 2022 heeft mr. H. Martens, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2023. Namens appellant is mr. Martens verschenen, bijgestaan door M. Benabou. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, geboren op [geboortedag] 2001, heeft met een door het Uwv op 22 mei 2019 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellant autisme heeft. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. 1.2. Bij besluit van 30 augustus 2019 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellant arbeidsvermogen heeft. 1.3. Bij besluit van 7 april 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 30 augustus 2019 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellant. Wat appellant heeft aangevoerd, geeft geen reden aan het medische oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat bij appellant sprake is van beperkingen, maar dat hij hiermee wel ten minste vier uur per dag belastbaar is. Appellant heeft zijn standpunt niet met (nieuwe) medische gegevens onderbouwd. Het Uwv heeft niet bestreden dat appellant beperkingen heeft, maar dit leidt niet tot de conclusie dat appellant daarmee geen taak kan verrichten. Verder heeft de rechtbank overwogen dat ook het arbeidskundig onderzoek zorgvuldig is geweest. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 26 maart 2020 inzichtelijk gemotiveerd dat appellant arbeidsvermogen heeft. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bevestigt dat appellant de door de arbeidsdeskundige genoemde voorbeeldtaak `invoeren van gegevens' kan uitvoeren en dat deze taak past bij het opleidingsniveau van appellant. Ook heeft appellant basale werknemersvaardigheden. Appellant heeft zijn stelling dat het door hem overgelegde `ontwikkelingsperspectief' van zijn school achterhaald is, niet met objectieve gegevens onderbouwd. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een situatie waarin er duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bestaan. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat ten onrechte is overwogen dat appellant arbeidsvermogen heeft. Appellant is gediagnostiseerd met Asperger en ADHD wat een complex ziektebeeld oplevert. Appellant heeft bij alle algemene dagelijkse levensverrichtingen intensieve begeleiding nodig. De conclusie van het Uwv dat sprake is van benutbare mogelijkheden kan niet uitsluitend worden gebaseerd op het feit dat appellant in het verleden school heeft afgerond. Uit de schoolrapportage volgt dat appellant niet in staat is om minstens één uur aaneengesloten te werken zonder substantiële begeleiding of vier uur per dag zou kunnen werken. Appellant stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat hij in het verleden zonder succes getracht heeft werkzaamheden te verrichten in het restaurant van zijn vader. Verder heeft appellant aangevoerd dat geen mogelijkheden bestaan om de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie te verbeteren door middel van medisch herstel en/of training. Appellant is aangemeld voor intensievere begeleiding voor zijn stoornis en ontvangt hulp vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning. Appellant meent dat zijn medische beperkingen dusdanig ernstig en ingrijpend zijn dat een indicatie banenafspraak ontoereikend is. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die: a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.