202016 WIA-PV Datum uitspraak: 23 maart 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 april 2020, 19/4678 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (Portugal) (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Zitting heeft: M. Schoneveld Griffier: C.G. van Straalen Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en gebaseerd op de volgende overwegingen.
- Appellant ontving sinds 2009 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Naar aanleiding van toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft het Uwv bij besluit van 25 april 2019 de vervolguitkering van appellant per 1 februari 2018 verhoogd. Dit leidde tot een nabetaling van € 6.411,66 op de betaalde uitkering over de periode van 1 februari 2018 tot en met 30 april
- Bij brief van 29 april 2019 heeft het Uwv appellant een betalingsspecificatie gestuurd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit en de betaalspecificatie heeft het Uwv bij besluit van 1 augustus 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij over de periode van 1 februari 2018 tot 1 februari 2019 recht heeft op een loongerelateerde uitkering. Verder heeft appellant aangevoerd dat de gemaakte berekeningen en de hoogte van de nabetaling onvoldoende inzichtelijk zijn en dat het dagloon ten onrechte niet is geïndexeerd over de periode van 2011 tot
- Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden in beroep. Appellant heeft deze gronden (ook) in hoger beroep niet nader onderbouwd. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze gronden niet slagen. Appellant heeft sinds eind 2009 geen recht meer op een loongerelateerde uitkering. Met het besluit van 15 november 2018 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant in het verleden ten onrechte een loonaanvullingsuitkering heeft ontvangen. Daarbij heeft het Uwv niet met terugwerkende kracht, maar met ingang van 1 februari 2019 aan appellant een vervolguitkering toegekend. Het Uwv heeft appellant tot 1 februari 2019 ook feitelijk een loonaanvullingsuitkering uitbetaald. Dit blijkt ook uit de hoogte van de maandelijks betaalde uitkeringsbedragen. Bij de berekening van de nabetaling heeft het Uwv ook de maandelijkse uitkeringsbedragen waarop appellant op grond van het bestreden besluit over de periode van 1 februari 2018 tot 1 februari 2019 aanspraak heeft, feitelijk berekend op basis van een loonaanvullingsuitkering. Daardoor is appellant zeker niet tekort gedaan. Het Uwv heeft met het bestreden besluit en het daarin opgenomen overzicht van betaalde en verrekende bedragen de berekening van de hoogte van de nabetaling voldoende inzichtelijk gemaakt. Daaruit blijkt eveneens dat in juli en december sprake is geweest van indexering van de uitkeringsbedragen. Door de gemachtigde van het Uwv is ter zitting toegelicht dat hierover geen aparte brieven of besluiten aan betrokkenen worden verzonden. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) C.G. van Straalen (getekend) M. Schoneveld