21 3575 ZW Datum uitspraak: 13 april 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 augustus 2021, 20/1217 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.J.M. Sanders hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sanders. Het Uwv heeft zich door middel van beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als specialist orderafwikkeling voor 36 uur per week. Zijn dienstverband is op 1 juni 2019 geëindigd. Hij heeft zich op 14 oktober 2019, vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, ziek gemeld met enkel- en rugklachten en klachten met betrekking tot zijn evenwichtsorgaan. Bij brief van 15 oktober 2019 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat tijdens zijn ziekte de WW-uitkering gedurende maximaal dertien weken wordt doorbetaald. 1.
- Op 2 december 2019 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 9 december 2019 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van specialist orderafwikkeling. Het Uwv heeft bij besluit van 12 december 2019 beslist dat appellant met ingang van 9 december 2019 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat hij geschikt is voor zijn eigen werk. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 18 maart 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 17 maart 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
- De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de rapporten van de verzekeringsartsen zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv te twijfelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat de klachten van appellant al jaren bestaan, appellant met die klachten zijn werkzaamheden heeft kunnen verrichten en appellant per 1 juni 2019 niet ziek uit dienst is gegaan. In de door appellant overgelegde medische informatie, met name het journaal van de huisarts, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de medische situatie van appellant op de datum in geding betekenisvol is gewijzigd. Daarbij is volgens de rechtbank van belang dat er geen objectiveerbare afwijkingen zijn gevonden voor concentratiestoornissen en toename van duizeligheidsklachten bij langdurig focussen op een beeldscherm. De rechtbank heeft ook overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat in de maatgevende werkzaamheden geen sprake is van langdurig gedwongen zithoudingen en vertreden en staan of werk deels staand uitvoeren mogelijk is, zodat de rugklachten van appellant geen belemmering vormen voor het verrichten van de maatgevende arbeid. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat niet aannemelijk is dat de werkzaamheden van appellant, zoals vermeld in het rapport van 9 december 2019 van de verzekeringsarts, na 1 februari 2019 zijn aangepast. 3.
- In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig is, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen lichamelijk onderzoek heeft verricht en in een kort gesprek van twintig minuten geen psychologische observatie kan hebben uitgevoerd. Hij heeft ook aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat en daarbij erop gewezen dat er sprake is van concentratie-, duizeligheids-, chronische enkel- en zware rugklachten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant informatie van 2 december 2021 van KNO-arts prof. dr. Tj. D. Bruintjes en neuroloog dr. R.B. van Leeuwen van het Apeldoorns Duizeligheidscentrum en van 10 februari 2022 van KNO-arts S.T.M. Schiphorst van de Valeo Kliniek overgelegd. Hij heeft daarnaast verwezen naar de in beroep overgelegde informatie van de huisarts en gesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende waarde heeft gehecht aan de informatie van 29 september 2020 van ergotherapeut L. van Merwijk en van 17 september 2020 van fysiotherapeut E.A.M. Geurts. Volgens appellant blijkt uit het dossier verder dat de werkzaamheden van appellant door zijn gezondheidssituatie zijn gewijzigd. 3.
- Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van 19 april 2022 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
- De Raad oordeelt als volgt. 4.
- Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. 4.
- In geschil is de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 9 december 2019 in staat was om zijn arbeid als specialist orderafwikkeling voor 36 uur per week te verrichten en daarom per die datum geen recht heeft op een ZW-uitkering. 4.
- Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusies. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. 4.
- Over de beroepsgrond van appellant dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen lichamelijk onderzoek heeft verricht, wordt overwogen dat appellant is gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts. Appellant heeft blijkens het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 maart 2020 tijdens de telefonische hoorzitting/spreekuur met de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat hij na zijn ziekmelding nergens onder behandeling is geweest, er nooit afwijkingen in de rug zijn vastgesteld en het gaat om spierpijnklachten. Appellant kon ook niet aangeven wat er veranderd was in vergelijking met de situatie toen hij zijn werk nog wel kon verrichten. Gelet op voorgenoemde feiten en omstandigheden is er geen aanleiding om te concluderen dat appellant fysiek had moeten worden onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De duur van het onderzoek leidt evenmin tot de conclusie dat geen sprake is van een zorgvuldig onderzoek. 4.
- De door appellant in hoger beroep overgelegde informatie geeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen. Deze informatie heeft geen betrekking op de hier in geding zijnde datum, 9 december
- Appellant heeft verder ter zitting bevestigd dat zijn werkzaamheden na 1 februari 2019 niet zijn gewijzigd. 4.
- Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van N. Zwijnenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april
- (getekend) S. Wijna (getekend) N. Zwijnenberg