Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 november 2021, 20/6459 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) Datum uitspraak: 20 april 2023 het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart
- Namens appellant is verschenen mr. De Witte. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Catakli. OVERWEGINGEN
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 23 september 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft het college zijn besluit van 10 maart 2020, waarbij aan appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een financiële maatwerkvoorziening van € 50,- per vier weken is verstrekt voor het gebruik van zijn eigen auto, gehandhaafd.
- De rechtbank heeft – kort weergegeven – overwogen dat met een bedrag van € 50,- per vier weken een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin appellant in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie. De aan appellant verstrekte financiële maatwerkvoorziening is gebaseerd op de door hem opgegeven vervoersbewegingen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij met een bedrag van € 50,- per vier weken niet kan voorzien in zijn vervoersbehoefte.
- Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat zijn vervoersbehoefte meer dan 7.500 kilometer per jaar bedraagt. Bij de berekening van de vervoersbehoefte heeft het college – onder meer – de bezoeken aan zijn zus ten onrechte niet meegenomen. Gelet hierop is een financiële maatwerkvoorziening van € 50,- per vier weken ontoereikend.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is op hoofdlijnen een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak besproken en afdoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft in grote lijnen de overwegingen van de rechtbank die hieraan ten grondslag liggen en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. Hier wordt het volgende aan toegevoegd. 4.
- De Raad oordeelt, net als de rechtbank, dat het college de vervoersbehoefte heeft berekend op basis van de door appellant zelf opgegeven vervoersbewegingen. De vastgestelde vervoersbehoefte, ook met inbegrip van de bezoeken van appellant aan zijn zus, valt ruim binnen de geldende norm van maximaal 3.120 kilometer per jaar behorende bij een financiële maatwerkvoorziening van € 50,- per vier weken. Op basis van hetgeen appellant heeft aangevoerd is niet gebleken dat met deze financiële maatwerkvoorziening geen passende bijdrage wordt geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie van appellant als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo
- 4.
- Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.S. Blok als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april
- (getekend) J. Brand (getekend) S.S. Blok