22 794 WAJONG Datum uitspraak: 26 april 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2022, 21/1726 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Praagman. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, geboren op [geboortedag] 1996, heeft met een door het Uwv op 12 juni 2020 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat bij appellant sprake is van ADHD, ODD en een laag IQ. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van een psycholoog van 8 november 2011, van een psycholoog van 30 augustus 2010 en van het Expertisecentrum speciaal onderwijs van 4 mei 2012. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 20 juli 2020 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellant arbeidsvermogen heeft. 1.2. Bij besluit van 2 maart 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 20 juli 2020 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de verschillende rapporten, in samenhang bezien, inzichtelijk uiteen heeft gezet dat appellant in medische zin beschikt over arbeidsvermogen. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn medische situatie onjuist is vastgesteld. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de gronden dat appellant niet beschikt over arbeidsvermogen en basale werknemersvaardigheden niet slagen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat appellant een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie en dat de geduide voorbeeldtaak (medewerker bloemzaadproductie) nog steeds geschikt is omdat appellant lichte productiefuncties kan verrichten en in het verleden stages heeft gevolgd. Ook heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep uitvoerig toegelicht dat appellant over basale werknemersvaardigheden beschikt. Dat appellant geen betaalde arbeid heeft verricht, kan niet leiden tot een ander oordeel omdat dit geen criterium is bij de beoordeling. Appellant kan instructies van een werkgever begrijpen, onthouden en uitvoeren en afspraken nakomen omdat hij stages en taakstraffen heeft verricht. Het feit dat de stages niet in de reguliere arbeidsmarkt hebben plaatsgevonden kan niet tot een ander oordeel leiden. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij geen arbeidsvermogen heeft. Hij heeft gesteld dat hij niet in staat is om minimaal één uur aangesloten en vier uren per dag te kunnen werken. Dat er behandelingen mogelijk zijn, is door de verzekeringsartsen verder niet onderbouwd en bovendien is door tijdsverloop gebleken dat van behandelingen geen verbetering te verwachten is. Appellant heeft informatie van Antes van 30 mei 2022 ingebracht. Hieruit volgt dat hij beperkt is in beroepsmatig functioneren in die zin dat instructies eenvoudig moeten zijn, liefst ondersteund met visuele informatie en dat verwerking hiervan meer tijd vergt. Ook is begeleiding nodig om overprikkeling tegen te gaan. Aan deze voorwaarden kan op de reguliere arbeidsmarkt niet worden voldaan. Verder heeft appellant aangevoerd dat de stages en de taakstraffen die hij heeft verricht niet vergelijkbaar zijn met arbeid, al dan niet onder beschutte omstandigheden. Deze activiteiten heeft het Uwv niet onderzocht. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige heeft benoemd en heeft de Raad verzocht een onafhankelijke verzekeringsarts te benoemen. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die: a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. 4.1.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.