201061 WMO15 Datum uitspraak: 15 mei 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 februari 2020, 19/2998 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Tiel (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft, deels via videobellen, plaatsgevonden op 22 juni
- Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Wevers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Sangster. Ter zitting is de behandeling geschorst. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 3 april
- Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Wevers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Sangster. Appellant heeft het hoger beroep ter zitting ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Ter zitting van 3 april 2023 is gebleken dat het college appellant tegemoetkomt in het thans nog resterende geschilpunt. Appellant heeft daarop het hoger beroep ingetrokken. Het college wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.674,- in beroep (1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor verschijnen ter zitting: totaal 2 punten) en € 2.092,50 in hoger beroep (1 punt voor hoger beroepschrift, 1 punt voor de zitting op 22 juni 2022 en 0,5 punt voor de zitting op 3 april 2023: totaal 2,5 punt). BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.766,50, te betalen door het college aan appellant. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van I. van der Hout als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei
- (getekend) B.J. van de Griend (getekend) I. van der Hout