22/3834 AOW, 22/3835 AOW, 23/1549 AOW, 23/1552 AOW Datum uitspraak: 26 januari 2024 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen en de incidenteel hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 november 2022, 22/1770 en 22/1795 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (de Svb) [betrokkene 1] (betrokkene 1) en [betrokkene 2] (betrokkene 2) te [woonplaats] SAMENVATTING Deze zaak gaat over de gevolgen van de op 1 januari 2021 in werking getreden Wvbvv voor de verrekening van schulden aan de Svb met uitkeringen verstrekt door de Svb (aflossingscapaciteit) voor personen vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd. Het doel van de Wvbvv is vereenvoudiging van de berekening van de beslagvrije voet, waarbij oog is voor de financiële belangen van de schuldeiser. Betrokkenen hebben een schuld aan de Svb die is ontstaan als gevolg van herziening en terugvordering van hun AOWpensioen. Op grond van de AOW en de Regeling is de maandelijkse aflossingscapaciteit berekend en is het bedrag van de verrekening vastgesteld. Bij betrokkenen gaat het om langdurige verrekeningen, waarbij pas na tien jaar bij een volledig gebruik van de aflossingscapaciteit tot kwijtschelding kan worden overgegaan. De Raad concludeert dat aan de handhaving van het gebruik van de volledige aflossingscapaciteit, geregeld in artikel 3 en 4, tweede lid, van de Regeling, na de inwerkingtreding van de Wvbvv, zonder enige heroverweging, zodanig ernstige gebreken kleven dat deze bepalingen niet als grondslag kunnen dienen voor de bestreden besluiten. Artikel 3 en 4, tweede lid, van de Regeling moeten buiten toepassing worden gelaten. De Svb dient opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. PROCESVERLOOP De Svb heeft hoger beroepen ingesteld. Namens betrokkenen heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat, verweerschriften ingediend en incidenteel hoger beroepen ingesteld. De Svb heeft op verzoek van de Raad nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 april 2023. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers en R.W. Nicolaas. Betrokkenen zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof. Het onderzoek is heropend na de zitting. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Betrokkenen hebben de AOW-gerechtigde leeftijd. Zij hebben een schuld aan de Svb. De schuld is ontstaan als gevolg van herziening van het recht op en terugvordering van het AOWpensioen naar de norm van een gehuwde, omdat betrokkenen een gezamenlijke huishouding voeren en pensioen hebben ontvangen naar de norm van ongehuwden. Betrokkene 1 moet € 33.384,14 aan de Svb terugbetalen en betrokkene 2 € 29.029,64. Over deze besluiten heeft de Raad geoordeeld in zijn uitspraak van 17 mei 2022 en betrokkenen zijn verder ter zake strafrechtelijk veroordeeld. 1.2. Bij besluit van 4 september 2020 is de aflossingscapaciteit van betrokkene 1 per september 2020 vastgesteld op € 283,50 per maand, waarbij is besloten dit bedrag maandelijks te verrekenen met zijn AOW-pensioen. Bij besluit van 17 augustus 2020 is de aflossingscapaciteit van betrokkene 2 op nihil vastgesteld. 1.3. Na inwerkingtreding van de Wvbvv per 1 januari 2021 heeft de Svb de aflossingscapaciteit van betrokkenen opnieuw berekend. Bij besluiten van 17 november 2021 is per december 2021 de aflossingscapaciteit van betrokkene 1 vastgesteld op € 378,11 per maand en van betrokkene 2 op € 45,- per maand en is besloten deze bedragen maandelijks te verrekenen met hun AOW-pensioen. 1.4. Bij de bestreden besluiten van 1 april 2022 is de Svb bij de verhoging van de aflossingscapaciteit gebleven maar heeft hij met ingang van december 2021 een gewenningsregeling toegepast. Het bedrag van de verrekening wordt tot en met december 2023 stapsgewijs verhoogd tot de onder 1.3 genoemde bedragen. De kosten van bezwaar zijn door de Svb vergoed. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard en die besluiten vernietigd met een veroordeling tot betaling van de proceskosten en vergoeding van het griffierecht. Daarbij is de aflossingscapaciteit van betrokkenen vanaf december 2021 vastgesteld op de oude, vóór invoering van de Wvbvv geldende bedragen. Volgens de rechtbank leidt de nieuwe aflossingscapaciteit voor betrokkenen tot een schrijnende situatie en had de Svb hierin aanleiding moeten zien om de aflossingscapaciteit met toepassing van artikel 3, zevende lid, van de Regeling te matigen. Daarbij heeft de rechtbank de brief van 11 maart 2022 van de Minister betrokken en een door betrokkenen verstrekt overzicht van maandelijkse inkomsten en uitgaven. Hieruit blijkt dat zij, na aftrek van de vaste lasten en de aflossing aan de Svb, maandelijks € 373,- overhouden, terwijl zij volgens het Nibud maandelijks al € 400,- aan voeding kwijt zijn. Verder is meegewogen dat betrokkenen, gezien de hoogte van de schuld, de maximale termijn van tien jaar zullen moeten aflossen voordat zij voor kwijtschelding in aanmerking komen. De rechtbank vindt het niet aanvaardbaar dat betrokkenen zo lang te weinig geld overhouden voor de kosten van levensonderhoud. De uitkomst van de door de Svb uitgevoerde berekening leidt hierdoor tot een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Regeling. Standpunten van partijen 3.1. De Svb is het niet met die uitspraak van de rechtbank eens. Wat daartoe is aangevoerd wordt hierna besproken. 3.2. Betrokkenen hebben verweer gevoerd en incidenteel hoger beroepen ingesteld. De gronden daarvan worden hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4.1. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de besluiten om het bedrag van de verrekening stapsgewijs te verhogen, heeft vernietigd en de aflossingscapaciteit per december 2021 heeft vastgesteld op de oude, vóór de invoering van de Wvbvv geldende bedragen. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die de Svb en betrokkenen hebben aangevoerd. De Raad komt tot het oordeel dat de incidentele hoger beroepen slagen, en dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4.2. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn – voor zover niet opgenomen in de overwegingen van deze uitspraak – te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Wet vereenvoudiging beslagvrije voet 4.3. Op 1 januari 2021 is de Wvbvv in werking getreden. Uit de MvT bij deze wet blijkt dat aanleiding voor de wetswijziging was dat de bescherming die de beslagvrije voet mensen moet bieden, de afgelopen jaren steeds meer onder druk is komen te staan. Uit onderzoek is gebleken dat de beslagvrije voet in 75% van de gevallen te laag wordt vastgesteld. Volgens het kabinet is dit een onwenselijke situatie. De beslagvrije voet moet daarom beter worden geborgd. Het doel van de Wvbvv is vereenvoudiging van de berekening van de beslagvrije voet, waarbij oog is voor de financiële belangen van de schuldeiser. Het nieuwe systeem is eenvoudiger en daarmee grofmaziger. Deze wet heeft onder meer artikelen in Rv gewijzigd die betrekking hebben op het vaststellen van de beslagvrije voet. De beslagvrije voet is daarbij verhoogd van 90 naar 95% van de geldende bijstandsnorm, maar de hogere bijstandsnorm voor personen met de AOW-gerechtigde leeftijd speelt geen rol meer. Het nieuwe systeem gaat in beginsel uit van één vast bedrag per leefsituatie (uitgaande van vier leefsituaties). De vier leefsituaties zijn: alleenstaande, alleenstaande ouder, gehuwden zonder kinderen en gehuwden met een of meer kinderen. Het vaste bedrag is 95% van de voor de desbetreffende leefsituatie geldende bijstandsnorm vermeerderd met de eveneens voor deze leefsituatie specifiek geldende maximale compensatiekop. De maximale compensatiekop bestaat uit drie componenten, namelijk zorg, wonen en kinderen. De ophoging voor zorgtoeslag is daarbij gemaximeerd op de maximale zorgtoeslag. De component voor woonkosten en kindgebonden budget is gemaximeerd door middel van een inkomensgrens. Om de beslagvrije voet te kunnen vaststellen, is een beperkt aantal gegevens nodig die zo veel mogelijk uit al bestaande registraties zijn te halen. Het betreft allereerst de leefsituatie van de schuldenaar en het inkomen van hem en zijn eventuele partner. De kern van dit nieuwe systeem is dat de deurwaarder op basis van informatie van de BRP en de polisadministratie de beslagvrije voet correct kan berekenen. De deurwaarder zal een rekentool kunnen gebruiken die door de overheid wordt gefaciliteerd. De schuldenaar hoeft in beginsel, behalve in een beperkt aantal uitzonderingssituaties, geen informatie meer aan te leveren voor de berekening van de beslagvrije voet. 4.4. Er is verder voor gekozen om in het nieuwe systeem geen onderscheid meer te maken in leeftijdscategorieën. Voorheen was de beslagvrije voet voor jongvolwassenen en pensioengerechtigden specifiek gekoppeld aan de voor hen geldende bijstandsnorm. Vanuit het streven om tot een zo eenduidig mogelijk systeem te komen, is dit onderscheid in de Wvbvv komen te vervallen. De Participatiewet kent die normen, en in het bijzonder de hogere norm voor personen met de AOW-gerechtigde leeftijd, nog wel maar in de artikelen over de beslagvrije voet in Rv wordt naar die normen niet meer verwezen. 4.5. In de MvT is hierover het volgende vermeld: “In het nieuwe systeem wordt ongeacht de leeftijd van de schuldenaar gebruik gemaakt van de bijstandsnorm voor mensen met een leeftijd tussen 21 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd. Er is gekozen om geen onderscheid naar leeftijd te maken omdat de beredenering om dit onderscheid in de bijstand te maken niet of in mindere mate geldt voor de situatie waar de beslagvrije voet wordt toegepast. De bijstandsnorm voor mensen boven de AOW-leeftijd is hoger omdat zij niet zoals andere mensen hun situatie kunnen verbeteren door het vinden van werk. Zij zijn immers de pensioengerechtigde leeftijd gepasseerd. Dit ligt anders voor de situatie waarbij mensen moeten leven van de beslagvrije voet. Wanneer er beslag is gelegd dient men totdat de schuld is afbetaald te leven van de beslagvrije voet. Dit is een tijdelijke situatie. De beslagvrije voet zorgt ervoor dat mensen hun noodzakelijke kosten van levensonderhoud kunnen blijven betalen. De bijstandsnorm voor mensen boven de AOW-gerechtigde leeftijd is niet hoger omdat deze mensen hogere kosten voor levensonderhoud hebben. Daarom is het niet nodig dat de beslagvrije voet voor deze groep hoger is dan mensen met een andere leeftijd met hetzelfde inkomen.” Verrekening door de Svb 4.6. Artikel 4:93, eerste lid, van de Awb bepaalt dat verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts mogelijk is voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Dat de Svb onverschuldigd betaald AOW-pensioen verrekent met nog te betalen AOW-pensioen, is geregeld in artikel 24a, tweede lid, van de AOW in samenhang met artikel 17i van de AOW. Artikel 4:93, vierde lid, van de Awb bepaalt dat de schuldenaar niet bevoegd is tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn. Een bestuursorgaan mag dus niet méér verrekenen dan volgens de regels van beslaglegging onder een beslag mag vallen. Een bestuursorgaan mag volgens deze bepaling wel minder verrekenen. 4.7. Beslaglegging door een schuldeiser is geregeld in Rv. Artikel 475c, eerste lid, aanhef, onder b, van Rv, verbindt een beslagvrije voet aan vorderingen tot periodieke betaling van uitkeringen op grond van socialezekerheidswetten, waaronder de AOW. 4.8. Uit 4.6 volgt dat artikel 4:93, vierde lid, van de Awb niet regelt wat ten minste moet worden verrekend. Er kan minder worden verrekend dan volgens Rv beslagen zou kunnen worden. Voor de Svb geldt dat de AOW weliswaar verplicht tot verrekening maar niet verplicht om daarbij steeds tot de beslaggrens te gaan. Artikel 24b van de AOW bepaalt dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald. 4.9. Voor de AOW zijn die regels neergelegd in de Regeling. In artikel 1, aanhef en onder q, daarvan is geregeld dat onder aflossingscapaciteit wordt verstaan het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van Rv, kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering. 4.10. Artikel 4 van de Regeling is van toepassing indien de vordering het gevolg is van schending van de inlichtingenplicht. Artikel 3 is van toepassing in andere gevallen. Overeenkomstig het tweede lid van beide artikelen worden periodieke betalingen of verrekeningen door de Svb zodanig vastgesteld dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar. Ingevolge artikel 4, zesde lid, in samenhang met artikel 3, zevende lid, van de Regeling kan de Svb van artikel 3 en 4 van de Regeling afwijken indien toepassing van die artikelen tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt. In Beleidsregel SB1251 is vastgelegd dat de Svb in plaats van artikel 4, artikel 3 van de Regeling toepast. Verder is vastgelegd dat de Svb gebruik maakt van de bevoegdheid van artikel 3, zevende lid, van de Regeling als een invordering van de Svb een bestaande betalingsregeling zou doorkruisen. Dit geldt alleen voor een betalingsachterstand ter zake van energie- en waterrekeningen, huur of hypotheek en zorgpremie. Hoger beroepen van de Svb 4.11. De Svb heeft in de kern aangevoerd dat de rechtbank in zijn oordeel de verhoogde wettelijk beslagvrije voet negeert. Hiermee wordt niet alleen voorbijgegaan aan de bedoeling van de wetgever om als leidend uitgangspunt te hanteren “een burger, een aflossingscapaciteit”, maar levert de uitspraak ook strijd op met de bedoeling die de wetgever heeft met het preferent verklaren van terugvorderingen van sociale uitkeringen. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd is met de hardheidsclausule van artikel 3, zevende lid, van de Regeling. In de visie van de Svb moet de hardheidsclausule restrictief worden toegepast en mag daarbij niet worden afgegaan op een door betrokkenen gegeven opsomming van bestedingen. Tot slot bestrijdt de Svb de overweging van de rechtbank dat de invoering van de Wvbvv per definitie een negatief gevolg heeft gehad voor personen vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd. Incidenteel hoger beroepen betrokkenen 4.12. Betrokkenen hebben aangevoerd dat de basisbeslagvrije voet voor mensen met de pensioengerechtigde leeftijd moet worden gecorrigeerd, zoals de rechter-commissaris dat ook doet voor schuldenaren die tot de WSNP zijn toegelaten. Bij gemeentelijke schuldhulpverlening en toepassing van de WSNP is de berekening van de beslagvrije voet voor mensen met de AOW-gerechtigde leeftijd aangepast en is het vrij te laten bedrag gelijk aan de beslagvrije voet, verhoogd met een door de rechter-commissaris vast te stellen nominaal bedrag. Betrokkenen menen dat zij gelijk moeten worden behandeld met mensen in de WSNP, nu artikel 475d van Rv het uitgangspunt is voor beide situaties. 4.13. Het standpunt van betrokkenen komt er in essentie op neer, dat zij vragen om artikel 3 of 4, tweede lid, van de Regeling, waaruit volgt dat de volledige aflossingscapaciteit zoals die is geregeld in Rv moet worden gebruikt om te verrekenen, buiten toepassing te laten. 4.14. De Raad ziet aanleiding eerst de grond van betrokkenen te beoordelen nu deze vooraf gaat aan en van invloed is op de gronden die door de Svb zijn aangevoerd. 4.15. De Raad overweegt met betrekking tot deze grond als volgt. De Regeling is een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Dergelijke voorschriften kunnen worden getoetst op rechtmatigheid, in het bijzonder op verenigbaarheid met hogere regelgeving. Daarnaast komt in de rechtspraak van de Raad tot uitdrukking dat aan de inhoud of wijze van totstandkoming van een algemeen verbindend voorschrift zodanig ernstige gebreken kunnen kleven dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren beslissingen. In dat geval kan de bestuursrechter een algemeen verbindend voorschrift buiten toepassing laten en een daarop berustend uitvoeringsbesluit om die reden vernietigen. Bij deze, niet rechtstreekse, toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer. De intensiteit van die beoordeling is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. Die beoordeling kan materieel terughoudend zijn als de beslissingsruimte voortvloeit uit de feitelijke of technische complexiteit van de materie, dan wel als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. In dat laatste geval heeft de rechter niet de taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen wordt toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Wat betreft de in acht te nemen belangen en de weging van die belangen geldt dat de beoordeling daarvan intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindend voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.