← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2024:1159

23/3120 WUV Datum uitspraak: 5 juni 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [appellant] te [woonplaats] (België) (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder) SAMENVATTING Verweerder heeft vanwege het niet melden van inkomsten het teveel betaalde bedrag aan uitkering van appellant teruggevorderd. De Raad is met verweerder van oordeel dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichting om veranderingen in zijn inkomsten te melden. PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 oktober 2023, kenmerk BZ011602753 (betreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wuv. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 april

  1. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel. OVERWEGINGEN Inleiding
  2. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.
  3. Appellant ontvangt sinds 1 februari 2002 een periodieke uitkering als weduwnaar van een vervolgde. 1.
  4. In verband met het bereiken van zijn pensioengerechtigde leeftijd en het als gevolg daarvan opnieuw vaststellen van de periodieke uitkering is appellant in april 2006 gevraagd gegevens te verstrekken over zijn AOW-pensioen en andere pensioenen die hij na zijn pensionering gaat ontvangen. Op de daarvoor bestemde vragenlijst is door appellant aangegeven dat hij naast zijn AOW-pensioen van twee voormalige werkgevers pensioen denkt te gaan krijgen. 1.
  5. Een telefoongesprek van 25 november 2022 waarin door appellant is aangegeven dat hij naast een AOW-pensioen ook enkele kleine pensioenen ontvangt, is voor verweerder aanleiding geweest de periodieke uitkering van appellant opnieuw vast te stellen. Met een besluit van 14 februari 2023 heeft verweerder met ingang van 1 december 2017 de periodieke uitkering van appellant opnieuw vastgesteld. Daarbij is vastgesteld dat aan appellant een bedrag aan uitkering teveel is uitbetaald. 1.
  6. Met een besluit van 21 februari 2023 vordert verweerder het teveel betaalde bedrag van € 46.721,76 van appellant terug. Ter vereffening van het teveel betaalde bedrag heeft verweerder met een besluit van 22 juni 2023 aan appellant te kennen gegeven dat met ingang van 1 juli 2023 maandelijks een bedrag van € 250,00 op zijn uitkering in mindering wordt gebracht. De bezwaren tegen deze besluiten zijn door verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het oordeel van de Raad
  7. De Raad beoordeelt of verweerder terecht tot terugvordering van teveel betaalde uitkering is overgegaan. Hij doet dit aan de hand van de argumenten die appellant in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Hierna legt hij uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2.
  8. De Raad stelt vast dat appellant (de hoogte van) het terugvorderingsbedrag niet bestrijdt. Appellant is met name gekwetst door de grondslag van de terugvordering, namelijk grove nalatigheid in de zin van artikel 61a van de Wuv. Verder stelt appellant dat verweerder bekend was met de inkomsten uit pensioenen omdat hij in 2006 op de zogeheten Financiële vragenlijst 65+ al melding had gemaakt van zijn mogelijke recht op andere pensioenen. 2.
  9. De terugvordering is gebaseerd op artikel 61a van de Wuv. Op grond van dit artikel kan verweerder de ten onrechte uitbetaalde uitkering terugvorderen wanneer de onjuistheid van de aan de oorspronkelijke beslissing ten grondslag gelegde feiten is te wijten aan opzet dan wel grove nalatigheid van de betrokkene. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerder deze grondslag mogen hanteren. Appellant is als uitkeringsgerechtigde gehouden elke verandering of omstandigheid die tot intrekking of verlaging van de uitkering zou kunnen leiden bij verweerder te melden. Dat heeft appellant in dit geval nagelaten. Zoals ook ter zitting door appellant is beaamd was het voor hem in 2006 niet helemaal duidelijk of hij aanspraak zou kunnen maken op andere pensioenen. De vermelding op het vragenformulier kan niet anders worden gezien dan het uiten van een vermoeden van een mogelijk recht op pensioenen en niet als opgave van inkomsten die van belang zijn voor (de hoogte van) de uitkering. De daadwerkelijke pensioenen zijn pas in 2011 aangevraagd en in dat jaar tot uitbetaling gekomen. Dat was het moment dat appellant gehouden was de inkomsten bij verweerder te melden. Ook al is er geen sprake van een bewuste handeling, er is sprake van het niet (voldoende) nakomen van de inlichtingenverplichting en dit moet worden gekwalificeerd als grove nalatigheid in de zin van de Wuv. Conclusie en gevolgen 2.
  10. Het beroep slaagt niet. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
  11. Appellant krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van I. van der Hout als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni
  12. (getekend) H. Lagas (getekend) I. van der Hout Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.