233102 ANW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 oktober 2023, 23/681 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] Marokko (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 5 juni 2024 Zitting heeft: M.L. Noort, als lid van de enkelvoudige kamer. Griffier: C.K. Teunissen. Ter zitting van 5 juni 2024 is appellante niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G. Starreveld. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Appellante heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 18 juli 2019 over haar rechten op grond van de ANW. In een uitspraak van 9 september 2020 heeft de rechtbank dit beroep, met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, niet ontvankelijk verklaard, omdat het beroepschrift te laat was ingediend. In een uitspraak van 15 april 2021 heeft de rechtbank het verzet hiertegen ongegrond verklaard. Appellante heeft vervolgens de rechtbank verzocht de uitspraak van 15 april 2021 te herzien. De rechtbank heeft het verzoek om herziening ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft appellante geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij stelt met name dat ze recht heeft op een ANW-uitkering. De Raad komt tot het oordeel dat hij onbevoegd is van dit hoger beroep kennis te nemen. Vanuit het oogpunt van rechtsbescherming en rechtseenheid acht de Raad zich bevoegd kennis te nemen van een tegen een uitspraak van de rechtbank op een herzieningsverzoek ingesteld hoger beroep, ongeacht of de rechtbank inwilligend dan wel afwijzend op het desbetreffende herzieningsverzoek heeft beslist. Dit is anders als het herzieningsverzoek waarop de rechtbank heeft beslist betrekking heeft op een uitspraak als bedoeld in artikel 8:104, tweede en vierde lid, van de Awb. Daartegen kan geen hoger beroep worden ingesteld omdat aldus immers de door de wetgever bepaalde beperking van de hoger beroepsmogelijkheden zou worden doorbroken. Het herzieningsverzoek waarop de rechtbank heeft beslist heeft betrekking op een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Daartegen kan op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb geen hoger beroep worden ingesteld. Nu hoger beroep niet mogelijk is, zal de Raad zich onbevoegd verklaren. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) C.K. Teunissen (getekend) M.L. Noort Algemene nabestaandenwet. Algemene wet bestuursrecht.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.