22/2565 WAJONG Datum uitspraak:19 januari 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2022, 21/5553 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Met een besluit van 16 februari 2021 heeft het Uwv geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het Uwv is met een besluit van 4 oktober 2021 (bestreden besluit) bij de weigering van de Wajong-uitkering gebleven. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Namens appellante heeft mr. F. Çelen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 december 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Çelen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort. OVERWEGINGEN Samenvatting Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op [Geboortedatum] 2018(de dag dat zij achttien jaar is geworden) en ook in de periode daarna tot 5 januari 2021 (de dag dat de aanvraag is ontvangen) duurzaam niet over arbeidsvermogen. Het Uwv had haar daarom als jonggehandicapte moeten aanmerken. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv appellante terecht een Wajong-uitkering heeft geweigerd. Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren op [Geboortedatum] 2000, heeft met een door het Uwv op 5 januari 2021 ontvangen formulier een Wajong-uitkering aangevraagd. Daarin heeft zij vermeld dat zij de progressieve oogaandoening Retinitis Pigmentosa en psychische klachten heeft. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht en geconcludeerd dat appellante arbeidsvermogen heeft. 1.2. In de bezwaarfase hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek gedaan en rapporten opgesteld. Het Uwv heeft op basis hiervan geen aanleiding gezien voor wijziging van zijn standpunt en heeft het bezwaar van appellante in het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek van het Uwv zorgvuldig geweest en heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitvoerig gemotiveerd waarom en onder welke voorwaarden appellante in staat is ten minste een uur aaneengesloten te werken en ten minste vier uur per dag belastbaar is. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante. Er is rekening gehouden met de omstandigheid dat appellante een ernstige progressieve oogaandoening heeft, dat zij daardoor mogelijk blind zal worden en dat zij daardoor psychische klachten heeft. In het rapport van 28 januari 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat appellante niet volledig ADL-afhankelijk is. In het rapport van 9 mei 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk toegelicht dat de brief van 17 februari 2022 van de oogarts en het feit dat appellante vindt dat zij er nog niet aan toe is gebruik te maken van hulpmiddelen voor slechtzienden, niet inhoudt dat dat om medische redenen niet mogelijk zou zijn. Dit geeft dus geen aanleiding tot het aannemen van meer duurzame beperkingen ten aanzien van het zich zelfstandig kunnen (leren) verplaatsen. In het rapport van 2 juni 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep navolgbaar geconcludeerd dat de brief van 12 mei 2022 van de huisarts en de brief van 24 mei 2022 van Neuropsy niet tot een ander oordeel leiden. Daaruit blijken geen medische feiten over de situatie rondom de achttiende verjaardag van appellante die niet al bekend waren. Met de door de psycholoog van Neuropsy gediagnosticeerde matige depressie kunnen lichte, niet stressvolle werktaken verricht worden. 2.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat appellante met de aangegeven beperkingen over basale werknemersvaardigheden beschikt en dat de taak ‘gegevens invoeren’ geschikt is voor appellante. Appellante heeft de opleidingen vmbo en mbo succesvol met diploma’s afgerond en is in staat om met een vervoersvoorziening op tijd op het werk te komen. De geselecteerde taak komt overeen met haar kennis en vaardigheden. De werkzaamheden zijn aan te merken als eenvoudig van aard en worden overwegend zittend verricht op een kantoor, waarbij fysiek belastende taken geen onderdeel zijn van het functioneren, er voortdurend iemand aanwezig is waarop men kan terugvallen en noodzakelijke interactie met anderen niet aan de orde is. Met de noodzakelijke voorwaarden ten aanzien van de fysieke en sociale werkomgeving kan rekening gehouden worden. PC-voorzieningen kunnen geïnstalleerd worden om tot een goede leesbaarheid te komen. Door gebruik te maken van specifieke software kan appellante de knelpunten in de werkzaamheden vanwege haar beperkte gezichtsvermogen voorkomen of minimaliseren. Een lager tempo vanwege de visuele beperkingen staat het uitvoeren van deze taak in een arbeidsorganisatie niet in de weg, omdat contact met derden of afhankelijkheid van anderen geen rol speelt. In het rapport van 27 februari 2022 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep verder inzichtelijk toegelicht dat uit de taakomschrijving naar voren komt dat er gewerkt wordt in de nabijheid van collega's. Wanneer er een collega in de buurt is die appellante bij veranderde omstandigheden in de werksituatie, zoals een brandalarm en dergelijke, kan helpen om veilig de werkplek te verlaten, is er geen reden om te twijfelen dat appellante in staat is tot het zelfstandig uitvoeren van een taak. Voor het uitoefenen van de taak zelf is er voldoende zelfstandigheid om aangeleerde handelingen te verrichten, mits deze niet een continu hoog handelingstempo of deadlines vergen en mits verstoringen (geen) deel uitmaken van het functioneren. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken. Het hoger beroep van appellante 3.1. Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4.1. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit, om de Wajong-uitkering te weigeren in stand heeft gelaten, aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Beoordelingskader 4.2. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij op zijn achttiende verjaardag jonggehandicapte is of dat alsnog binnen vijf jaar nadien wordt. Daarvan is sprake als een betrokkene duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.