23/2072 AOW Datum uitspraak: 16 mei 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juni 2023, 22/2167 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) SAMENVATTING Deze zaak gaat over de vraag of appellant over de periode van 10 oktober 2018 tot 1 januari 2020 recht heeft op een ongehuwdenpensioen op grond van de AOW. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend, omdat over de periode in geding tussen appellant en zijn ex-echtgenote geen sprake was van duurzaam gescheiden leven. Niet is gebleken dat de feiten en omstandigheden over de periode in geding sinds de eerdere uitspraak van de Raad over duurzaam gescheiden leven, zijn gewijzigd. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 april 2024. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R. Schuurman. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant ontving vanaf 19 februari 2013 een AOW-pensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde. Naar aanleiding van het vertrek van zijn echtgenote uit de echtelijke woning in 2016 heeft appellant de Svb in juli 2018 gevraagd hem in aanmerking te brengen voor een ongehuwdenpensioen. Met een besluit van 10 oktober 2018 heeft de Svb geweigerd het gehuwdenpensioen om te zetten naar een ongehuwdenpensioen, omdat appellant niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. Deze weigering is in stand gebleven met een uitspraak van de Raad van 23 september 2021. 1.2. Op 10 januari 2020 heeft appellant een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank. Bij vonnis van [datum 2] 2021 is de echtscheiding uitgesproken. Het echtscheidingsvonnis is op [datum 1] 2022 ingeschreven in de Brp. 1.3. Met een besluit van 27 juni 2022 heeft de Svb het AOW-pensioen van appellant met ingang van maart 2022 herzien naar een ongehuwdenpensioen, omdat appellant vanaf [datum 1] 2022 niet langer gehuwd is. Bij beslissing op bezwaar van 18 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft de Svb, voor zover hier nog van belang, het AOW-pensioen van appellant vanaf januari 2020 (de maand waarin het verzoek om echtscheiding is ingediend) herzien naar een ongehuwdenpensioen. Daarvoor heeft de Svb beleidsregel SB1002 toegepast. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven, omdat de omstandigheden van appellant niet anders zijn dan in de periode waarop de uitspraak van de Raad van 23 september 2021 betrekking had. De Svb heeft terecht op basis van gewijzigd beleid per januari 2020 een ongehuwdenpensioen toegekend. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat hij recht heeft op een ongehuwdenpensioen vanaf 2016, omdat hij vanaf die tijd geen relatie meer heeft met zijn ex-echtgenote. Zij had al voor haar vertrek een relatie met een invloedrijke man in hetzelfde dorp, die bovendien meerdere vrouwen had en wel recht heeft op een ongehuwdenpensioen. Appellant voelt zich belogen en bedrogen door de Svb. Appellant voelt zich onrechtvaardig behandeld en wil dat hem recht wordt gedaan. Daarvoor moet het ongehuwdenpensioen worden weggehaald van de man met wie zijn ex-echtgenote een relatie heeft en aan hem worden gegeven. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Juridisch kader 4.1. In geschil is of appellant als duurzaam gescheiden levend moet worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. In de uitspraak van 23 september 2021 heeft de Raad reeds geoordeeld over de periode tot 10 oktober 2018 (datum primaire besluit in die zaak). Dit heeft tot gevolg dat de nu te beoordelen periode loopt van 10 oktober 2018 tot 1 januari 2020 (periode in geding). Alle feiten en omstandigheden die hierna zijn gewijzigd kunnen in de toetsing geen rol spelen. 4.2. Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW, wordt voor de toepassing van de AOW als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. 4.3. Voor gevallen waarin geen sprake is van een ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving legt de Raad het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.