22/2062 CRTV Datum uitspraak: 10 juli 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 mei 2022, 21/3519 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te Utrecht (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft op 6 december 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Op 20 oktober 2023 heeft mr. De Jong namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft geen gebruikgemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 6 december 2022 aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 624,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift), € 1.750,‑ in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 875,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift). In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding voor de aan appellante door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 3.249,-. Appellante heeft verzocht een integrale kostenvergoeding van € 8.391,75 voor 50,5 in beroep en in hoger beroep gedeclareerde advocatenuren toe te kennen. Daartoe bestaat geen aanleiding. Het uitgangspunt van het op artikel 8:75 van de Awb gebaseerde Bpb is dat voor rechtsbijstand een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. In artikel 2, derde lid, van het Bpb is neergelegd dat hiervan in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. Van dit soort bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Dit betekent dat appellante met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand een forfaitaire vergoeding toekomt volgens de bijlage van het Bpb, zoals hiervoor overwogen. Ook moet het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.249,-; bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 908,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2024. (getekend) F.M. Rijnbeek (getekend) S. Pouw
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.