23/946 Wajong Datum uitspraak: 10 juli 2024 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 februari 2023, 21/241 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd betrokkene een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv, ook na de tussenuitspraak, onvoldoende heeft onderbouwd dat betrokkene vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv heeft dit betwist en hoger beroep ingesteld. De Raad volgt het standpunt van het Uwv en oordeelt dat betrokkene op de datum in geding vier uur per dag belastbaar is en arbeidsvermogen heeft. De Wajong-uitkering is dan ook terecht afgewezen. PROCESVERLOOP Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. drs. P. van Wegen een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 mei 2024. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. Betrokkene is verschenen, vergezeld door zijn moeder en tante en bijgestaan door mr. Van Wegen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Betrokkene, geboren op [geboortedatum] 1993, heeft met een door het Uwv op 3 maart 2020 ontvangen formulier ‘Aanvraag Beoordeling arbeidsvermogen’ een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat bij betrokkene sprake is van een chronisch vermoeidheidsyndroom. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat betrokkene arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 30 juni 2020 heeft het Uwv vervolgens geweigerd betrokkene een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.2. Bij besluit van 8 december 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraken van de rechtbank 2.1. De rechtbank heeft op 4 juli 2022 een tussenuitspraak gedaan. Hierin heeft de rechtbank, voor zover van belang, geoordeeld dat het Uwv onvoldoende heeft onderbouwd dat betrokkene vier uur per dag belastbaar is. In het dagverhaal staan activiteiten van betrokkene beschreven die niet dagelijks voorkomen en een tijdspanne beslaan van minder dan vier uur per dag. Ook wijst de rechtbank op de informatie van de psychiater M.J. Hoek van 30 maart 2022 waarin wordt vermeld dat betrokkene chronisch zeer laag belastbaar is (minder dan twee uur per twee dagen). Het Uwv is in de gelegenheid gesteld het motiveringsgebrek te herstellen. Het Uwv heeft vervolgens een rapport overgelegd van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 augustus 2022. 2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat met laatstgenoemd rapport het motiveringsgebrek niet is hersteld. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. Hiertoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog steeds onvoldoende heeft gemotiveerd dat een urenbeperking van vier uur toereikend is. Volgens de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid worden argumenten voor het vaststellen van duurbelasting ontleend aan onder meer het dagverhaal/functioneren in de privésituatie, het participatiegedrag, het historisch functioneren en de waarnemingen van derden. Deze aspecten ziet de rechtbank niet terug in de beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had niet zonder meer voorbij kunnen gaan aan de informatie van psychiater Hoek en de moeder van betrokkene. Gelet hierop deelt de rechtbank niet de conclusie van het Uwv dat betrokkene op zijn achttiende verjaardag en daarna arbeidsvermogen heeft. Het standpunt van het Uwv 3.1. Het Uwv is het niet eens met de aangevallen uitspraak, voor zover daarin wordt geoordeeld dat het motiveringsgebrek niet is hersteld. Volgens het Uwv kent de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis toe aan niet-medische informatie van derden. Voor een aanvullende onderbouwing van het standpunt dat betrokkene vier uur per dag belastbaar is verwijst het Uwv naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 mei 2023. Volgens deze verzekeringsarts bevat een beschrijving van het dagelijks leven van betrokkene wel aanwijzingen over de belastbaarheid maar is dat niet doorslaggevend. Van belang is welke beperkingen medisch gezien noodzakelijk zijn. Psychiater Hoek spreekt over een chronisch zeer lage belastbaarheid van ongeveer minder dan twee uur per twee dagen, maar geeft hiervoor geen medische onderbouwing. Het standpunt van betrokkene 3.2. Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Dat doet hij aan de hand van wat het Uwv in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. 4.1. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.