21/2756 WLZ Datum uitspraak: 31 juli 2024 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 juni 2021, 20/2805 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) SAMENVATTING Appellant heeft samen met zijn dochter in de jaren 2011 tot en met 2013 zorg verleend aan zijn zoon, die in 2013 is overleden. Pas in 2018 zijn voor deze zorg indicaties afgegeven en in 2019 heeft het zorgkantoor op basis daarvan alsnog een persoonsgebonden budget betaald aan appellant en zijn dochter. De Raad is het met de rechtbank eens dat het zorgkantoor niet meer hoeft te betalen dan hij heeft gedaan. Er is wel aanleiding voor toekenning van schadevergoeding omdat de procedure te lang heeft geduurd. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 juni 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het zorgkantoor heeft zich niet laten vertegenwoordigen. De Raad heeft de Staat aangemerkt als partij in deze procedure. OVERWEGINGEN Voorgeschiedenis 1.1. [betrokkene] (betrokkene) ontving van 17 juli 2011 tot aan zijn overlijden op [datum] 2013 zorg op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ). Voor die periode is in 2019 met terugwerkende kracht een persoonsgebonden budget (pgb) verleend voor de persoonlijke verzorging (hierna ook: PV) die aan betrokkene werd geleverd door appellant en zijn dochter. De toekenning is grotendeels gebaseerd op een schikking die appellant met het CIZ heeft bereikt op een zitting bij de rechtbank Noord-Nederland op 11 oktober 2018. 1.2. Appellant heeft begin 2019 met het oog op de verleende zorg zorgovereenkomsten voor hemzelf en zijn dochter opgesteld en deze aan het zorgkantoor gezonden. In deze zorgovereenkomsten zijn maandvergoedingen opgenomen van respectievelijk € 6.240,- per maand en € 3.466,- per maand, gebaseerd op 40 uren per week voor begeleiding, huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging en verpleging. 1.2. Bij besluiten van 8 maart 2019 is aan betrokkene voor de periode van 2 november 2011 tot en met 31 december 2011 een bedrag van € 1.311,13 aan pgb verleend (persoonlijke verzorging klasse 3), voor het jaar 2012 een bedrag van € 6.029,51 (persoonlijke verzorging klasse 3) en voor de periode 1 augustus 2013 tot en met 10 september 2013 een bedrag van € 45.967,46 (persoonlijk verzorging klasse 4, met een ophoging op grond van een oude indicatie). 1.3. Bij besluit van 7 mei 2019 is voor de periode 1 april 2013 tot en met 31 juli 2013 een bedrag van € 4.159,21 aan pgb verleend (persoonlijke verzorging klasse 4). 1.4. Bij besluiten van 22 mei 2019, 5 juni 2019 en 12 juni 2019 zijn de onder 1.2 en 1.3 genoemde pgb’s vastgesteld op de bedragen van verlening. 1.5. Bij besluit van 5 augustus 2019 is (nogmaals) aan appellant in een overzichtsbeslissing meegedeeld dat een pgb aan betrokkene is verleend, hoe de bedragen daarvan zijn opgebouwd en wanneer deze zijn uitbetaald. In het besluit is vermeld dat op 23 januari 2014 al een bedrag van € 10.000,- is betaald, dat aanvankelijk was teruggevorderd omdat appellant niet aan zijn verplichtingen tot verantwoording van de zorg had voldaan. Appellant heeft dit bedrag niet terugbetaald. Het zorgkantoor heeft het bedrag verrekend met het in totaal vastgestelde pgb. 1.6. Het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 5 augustus 2019 is bij besluit van 18 juni 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vooropgesteld dat sprake is van een bijzondere situatie, aangezien de indicaties door het CIZ na het overlijden van de budgethouder zijn verstrekt. Daardoor is ook het pgb achteraf verleend. Gelet op deze bijzondere situatie heeft het zorgkantoor, zonder te beschikken over een (volledige) pgbadministratie, de verantwoording van de zorg goedgekeurd op basis van de overgelegde zorgovereenkomsten. Tussen partijen is niet in geschil dat de zorg is verleend en dat deze intensief is geweest. Partijen zijn verdeeld over de hoogte van het toegekende pgb voor de verleende zorg. Anders dan appellant, is de rechtbank van oordeel dat het zorgkantoor in het bestreden besluit voldoende heeft toegelicht hoe het pgb-bedrag per subsidiejaar tot stand is gekomen. Daarbij is van belang dat het zorgkantoor terecht is uitgegaan van de indicaties van het CIZ, de zorgbeschrijving en de zorgovereenkomsten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het zorgkantoor voldoende inzicht gegeven in hoe het in totaal verleende pgb van € 57.467,75 tot stand is gekomen. De rechtbank is verder van oordeel dat de stelling van appellant dat hij ervan mocht uitgaan dat de in de zorgovereenkomst afgesproken maandbedragen zouden worden vergoed, geen doel treft. Dat het zorgkantoor geen opmerkingen heeft geplaatst over de in de zorgovereenkomsten afgesproken bedragen, maakt niet dat daarmee de bedragen akkoord waren bevonden. Daarbij komt dat het zorgkantoor niet meer pgb kan verstrekken dan is verleend. Afspraken in een zorgovereenkomst omtrent de vergoeding van zorg zijn afspraken die tussen partijen van kracht zijn. Indien het maximale toegekende budget wordt overschreden door in een zorgovereenkomst een hoger pgb af te spreken, komt dat voor rekening en risico van de zorgverlener. De standpunten van partijen 3.1. Appellant heeft zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het pgb zou moeten worden vastgesteld op het bedrag dat voortvloeit uit de zorgovereenkomsten. In het procesverbaal van de zitting van de rechtbank Noord-Nederland van 11 oktober 2018 is te lezen dat “PV3 zal worden voortgezet na 13 december 2011 tot en met september 2012” en ook dat “PV4 zal worden ingezet vanaf april 2013 tot 1 augustus 2013”. Uit de terminologie “zal worden voortgezet” heeft appellant begrepen dat de regeling en vergoeding is bedoeld zoals deze van toepassing waren in de periode van december 2011 tot en met september 2013. De zorg was de laatste periode dermate zwaar en intensief dat appellant en zijn dochter praktisch 24 uur per dag zorg hebben verleend. Appellant stelt door de formulering en de voorafgaande onderhandelingen met het zorgkantoor op het verkeerde been te zijn gezet. Tijdens de talrijke gesprekken is niet aangegeven dat de vergoeding conform de huidige aanduiding zou worden toegekend en niet conform de vergoeding die in 2011 tot en met 2013 was toegekend. Meermaals heeft appellant tijdens de overlegmomenten met het zorgkantoor aangegeven dat hij en zijn dochter een vergoeding verzoeken die recht doet aan de intensieve zorg. Dit is opgenomen in de zorgovereenkomsten en appellant verwachtte dan ook vergoeding conform de zorgovereenkomsten. Omdat het zorgkantoor lang niets van zich heeft laten horen is de bezwaartermijn verlopen van de door het CIZ afgegeven pgb-beschikkingen. Pas in bezwaar tegen de besluiten van het zorgkantoor is appellant erachter gekomen dat het zorgkantoor niet meer aan pgb heeft verleend dan op grond van de indicatie van het CIZ nodig is. 3.2. Het zorgkantoor heeft gesteld dat over de aan de orde zijnde jaren de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) van toepassing is zoals deze gold in 2011, 2012 en 2013. De hoogte van de vergoeding is vastgesteld conform artikel 2.6.6 van de Rsa. Het zorgkantoor heeft nimmer toegezegd dat een pgb volgens de zorgovereenkomsten zal worden uitbetaald. Dit volgt ook geenszins uit het verslag van het gesprek dat op 14 januari 2019 heeft plaatsgevonden. Hierin is expliciet opgenomen dat het zorgkantoor slechts binnen de wettelijke mogelijkheden een pgb kan verstrekken. Het oordeel van de Raad 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of er over de periode november 2011 tot augustus 2013 een hoger bedrag aan pgb zou moeten worden uitbetaald dan op basis van de indicaties van het CIZ aangewezen was. 4.2.1. Normaliter wordt een pgb aangevraagd voordat zorg wordt verleend. Het CIZ bepaalt welke indicatie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.