20/570 WIA Datum uitspraak: 11 september 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 december 2019, 19/4995 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 6 juni 2018 geen WIAuitkering heeft toegekend. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. B.E. Crone, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 december 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Crone. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J Grasmeijer. Het onderzoek is heropend na de zitting. De door de Raad als deskundige benoemde verzekeringsarts dr. I.A.K. Snels heeft op 21 maart 2023 rapport uitgebracht. Partijen hebben hierop gereageerd. Op 27 oktober 2023 heeft verzekeringsarts dr. R. Ouwens als opvolgend deskundige op deze zienswijzen gereageerd. Partijen hebben een nadere reactie ingezonden. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante heeft voor het laatst gewerkt als senior administrateur voor 35,86 uur per week. Op 22 oktober 2015 heeft zij zich ziekgemeld met psychische klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 oktober 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 29 oktober 2018 geweigerd appellante met ingang van 6 juni 2018 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. 1.2. Bij besluit van 26 juni 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 1.3. Appellante heeft zich bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten vanaf begin 2019. Bij besluit van 20 december 2019 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 1 februari 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank (kort gezegd) overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de inhoudelijke juistheid van het medisch oordeel. Uitgaande van de juistheid van de FML van 17 oktober 2018 heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de geduide functies de belastbaarheid van appellante te boven gaan. Het standpunt van appellante 3.1. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft aangevoerd dat zij gelet op haar psychische klachten meer beperkingen heeft. Uit de in beroep ingebrachte medische informatie blijkt dat er bij appellante sprake is van een matige tot ernstige depressieve stoornis met een somatische symptoomstoornis en een paniekstoornis. Deze klachten waren ook al op datum in geding aanwezig. Daarnaast is appellante door haar klachten fors vermoeid. Zij heeft slaapproblemen en overdag heeft zij een verhoogde rustbehoefte. Een urenbeperking is volgens appellante geïndiceerd. Appellante heeft verder verwezen naar een door haar ingebracht expertiserapport van 23 juni 2020 van WPEX, dat is uitgevoerd door psychiater M. van Beem en verzekeringsarts K.C. Rammeloo. Daaruit blijkt volgens appellante dat bij haar sprake is van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren als gevolg van een ernstige psychische stoornis. In reactie op het door het Uwv in hoger beroep gevoerde verweer heeft appellante nadere rapporten van WPEX van 2 december 2020 en 16 april 2021 ingebracht. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft – onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 september 2020 en van 15 januari 2021 – verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering per 6 juni 2018 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken. Medische beoordeling 4.2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van 1 december 2021 is bij de Raad twijfel ontstaan over de juistheid van de medische beoordeling. De Raad heeft daarom verzekeringsarts Snels als deskundige benoemd. 4.3. De deskundige heeft op 21 maart 2023 een rapport uitgebracht en op basis van haar bevindingen bij onderzoek geconcludeerd dat er geen argumenten zijn om de vastgestelde belastbaarheid in de FML van 17 oktober 2018 als onjuist te beschouwen. Hiertoe heeft zij overwogen dat er op datum in geding bij appellante sprake was van een of meer psychische aandoeningen, waarvan de exacte aard en ernst op basis van de aanwezige stukken moeilijk te achterhalen is. Wel is duidelijk dat er gelet op de beschrijvingen van de huisarts en de verzekeringsarts van rond de datum in geding geen aanwijzingen zijn voor ernstige problematiek en dat er geen sprake was van een intensieve behandeling. Bij niet ernstige psychische problematiek is er geen grond om geen benutbare mogelijkheden aan te nemen. Ook was er volgens de deskundige geen sprake van een volledig disfunctioneren op drie niveaus. Dat appellante af en toe moest worden aangespoord om zich te wassen en aan te kleden is daartoe onvoldoende. Het betreft anamnestische gegevens. Appellante was rond de datum in geding in staat om alternatieve hulp (in plaats van de geboden gezinshulp) te organiseren. Volgens de huisarts had zij de zorg voor drie kinderen, volgens haar eigen (dag)verhaal hielp zij bij de zorg voor de kinderen. Anamnestisch nam haar man (en andere familieleden) veel zorg van appellante over. Hoewel onduidelijk is wat appellante precies wel of niet deed, is de conclusie van de deskundige dat zij in elk geval wel iets deed met betrekking tot de zorg voor de kinderen. Gelet op het ziektebeeld is het aannemelijk dat het haar meer moeite dan gebruikelijk kostte om dagelijkse activiteiten te ontplooien, maar het is antirevaliderend als vrijwel alle (dagelijkse) activiteiten worden overgenomen. Activatie was en is van belang. Verder blijkt uit het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv dat appellante in staat was om een normaal gesprek te voeren, de concentratie en aandacht was derhalve normaal. Behoudens de somberheid, de spanningen, het gapen en hyperventileren waren geen duidelijke afwijkingen rond de datum in geding. Dit ondersteunt het oordeel dat er op datum in geding wel belastbaarheid was. Gelet op haar aandoening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.