Datum uitspraak: 9 oktober 2024 24/752 WLZ Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 maart 2024, 23/4518 (aangevallen uitspraak) Partijen: [wettelijk vertegenwoordiger] te [woonplaats] , in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van[appellant] (appellant) het CIZ PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.W. de Gruijl, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. OVERWEGINGEN In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Bij brief van 4 april 2024 is de gemachtigde van appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 138,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven. Per e-mailbericht van 8 april 2024 heeft appellant een beroep op betalingsonmacht gedaan. Bij brief van 7 juni 2024 heeft de Raad de gemachtigde van appellant verzocht om appellant het formulier betalingsonmacht te laten invullen en binnen vier weken retour te sturen. Daarbij is de gemachtigde van appellant erop gewezen dat indien het formulier niet op tijd retour is gestuurd, of indien gegevens ontbreken, het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen. Bij brief van 16 juli 2024 heeft de Raad het beroep op betalingsonmacht afgewezen, aangezien (de gemachtigde van) appellant niet (tijdig) heeft voldaan aan het verzoek van de Raad van 7 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.