← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2024:1955

Datum uitspraak: 17 oktober 2024 23/530 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 december 2022, 22/1789 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. van der Eijk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Op 4 januari 2024 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Vastgesteld wordt dat het Uwv bij de nieuwe beslissing op bezwaar van 4 januari 2024 appellant alsnog met ingang van 3 november 2021 een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen heeft toegekend. Aldus is aan appellant tegemoetgekomen. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 875,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1). Hierbij wordt overwogen dat de kosten van bezwaar door het Uwv zijn vergoed en dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het Uwv al had veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep. Ook moet het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 875,-; bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door C. Karman, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2024. (getekend) C. Karman (getekend) S. Pouw

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.