23/1138 WAJONG Datum uitspraak: 23 oktober 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 21 februari 2023, 22/1670 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op 15 december 2020 (de dag waarop de aanvraag is ontvangen) (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajonguitkering toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Mr. P.A.M. Staal, advocaat, heeft zich gesteld als nieuwe gemachtigde van appellante. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 september 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Staal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1996, heeft met een door het Uwv op 26 augustus 2015 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante vermoeidheidsklachten en klachten van spieren en gewrichten heeft. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 16 november 2015 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 1.2. Appellante heeft met een door het Uwv op 15 december 2020 ontvangen formulier opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante inmiddels is gediagnosticeerd met Multiple Sclerose (MS). Bij de aanvraag is informatie gevoegd van de behandelend neurologen en van de huisarts. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht, waarna de verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eerst een neurologische expertise moet worden uitgevoerd. Neuroloog J.C. den Heijer van Psyon heeft appellante daarop neurologisch onderzocht en heeft op 26 juli 2021 daarover gerapporteerd. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 13 september 2021 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.3. Bij besluit van 14 juni 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanwijzingen dat de onderzoeken van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onzorgvuldig zijn geweest. Dat appellante niet lichamelijk is onderzocht door een verzekeringsarts betekent niet dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar toegelicht dat een lichamelijk onderzoek niet nodig was, omdat appellante uitvoerig is onderzocht door neuroloog Den Heijer. De rechtbank heeft overwogen geen twijfel te hebben aan de toelichting van de verzekeringsartsen dat appellante in staat moet worden geacht ten minste één uur per dag aaneengesloten te werken en ten minste vier uur per dag belastbaar te zijn. De verzekeringsartsen hebben deze conclusies mede gebaseerd op de neurologische expertise van Den Heijer. Appellante heeft een lange medisch diagnostische zoektocht achter de rug naar de oorzaak van de pijn-, vermoeidheids- en cognitieve klachten en uiteindelijk is de diagnose MS gesteld. Naar aanleiding van het in beroep ingebrachte verslag van het neuropsychologisch onderzoek (NPO) van 25/26 april 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen dat appellante aanvullend beperkt is voor wat betreft haar werkgeheugen. Appellante is aangewezen op werkzaamheden waarbij ze niet steeds grote hoeveelheden nieuwe informatie moet verwerken. Zij moet taken één voor één kunnen afwerken en niet meerdere taken door elkaar afwerken. Appellante kan wel routinematige taken door elkaar afwerken. Daarnaast hebben de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen voldoende gemotiveerd dat appellante beschikt over basale werknemersvaardigheden en de taak ‘bemannen balie’ kan verrichten. Omdat de rechtbank in verband met de pas in beroep aangenomen aanvullende beperking op werkgeheugen artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht heeft toegepast, heeft de rechtbank aanleiding gezien te bepalen dat het Uwv het griffierecht aan appellante moet vergoeden en het Uwv veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten. Het standpunt van appellante 3.1. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.