24/38 WAJONG Datum uitspraak: 23 oktober 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 december 2023, 23/2033 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op de dag dat zij achttien jaar is geworden (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. T.M.J. Oosterhuis-Putter, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 september 2024. Voor appellante is mr. Oosterhuis-Putter verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 2003, heeft met een door het Uwv op 27 juli 2021 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante het deletiesyndroom 16p11.2 heeft, slecht slaapt en gedragsproblemen, afwijkende contacten en rugpijn heeft. Bij de aanvraag is een rapport/schooladvies gevoegd van de schoolpsycholoog en GZ-psycholoog en informatie van de neuroloog en klinisch geneticus. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 2 juni 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.2. Met een besluit van 3 maart 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt dat hij het dossier heeft bestudeerd en eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden heeft beargumenteerd hoe de medische beoordeling tot stand is gekomen. Met de rug- en bekkenklachten van appellante is kenbaar rekening gehouden. De prognose dat er in principe een goede kans is op aanzienlijk herstel, zoals vermeld in de brief van Spine & Joint Centre van 25 november 2022 is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep meegewogen. Appellante heeft in beroep geen medische stukken overgelegd die aanleiding geven tot twijfel aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek of die duiden op beperkingen die verder gaan dan door de verzekeringsartsen is vastgesteld. De rechtbank is ook overigens niet gebleken dat de verzekeringsartsen bij het beoordelen van het arbeidsvermogen onvoldoende rekening hebben gehouden met de beperkingen van appellante. De omstandigheid dat appellante permanente begeleiding nodig heeft, is kenbaar in de besluitvorming meegewogen. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, overwogen dat het feit dat de werkzaamheden, al dan niet in een beschutte werkomgeving, worden verricht met behulp van permanent toezicht of intensieve begeleiding, niet in de weg staat aan het hebben van arbeidsvermogen. Het standpunt van appellante 3.1. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 19 april 2022. Anders dan appellante was de betrokkene in die zaak wel belastbaar voor tenminste vier uur per dag, beschikte zij over basale werknemerswerkvaardigheden en was zij in staat om zelfstandig te reizen. Appellante heeft hierbij haar standpunt gehandhaafd dat zij op alle leefgebieden disfunctioneert: wonen, werken/school en sociale en persoonlijke omgang met anderen. Dit zal niet verbeteren in de toekomst. Daarom is er volgens appellante sprake van het volledig ontbreken van arbeidsvermogen en heeft zij recht op een Wajonguitkering. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.