23/1948 WW Datum uitspraak: 31 oktober 2024 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 mei 2023, 20/6229 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv appellant terecht een WW-uitkering heeft ontzegd omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde dat hij in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft gehad, de zogenoemde wekeneis. Volgens appellant heeft het Uwv bij de beoordeling van de wekeneis ten onrechte 55 compensatieverlofdagen niet aangemerkt als gewerkte dagen, waardoor hij niet aan de wekeneis voldoet. De Raad volgt dit standpunt van appellant niet en komt tot het oordeel dat het Uwv appellant terecht een WW-uitkering heeft ontzegd. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.F. Desloover, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. In verband hiermee heeft de Raad de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Desloover. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. van Dongen. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Appellant heeft van 12 augustus 2019 tot en met 5 oktober 2019 gewerkt in dienst bij [naam werkgever 1] ( [naam werkgever 1] ). Van 2 maart 2020 tot en met 4 juni 2020 heeft appellant gewerkt in dienst bij [naam werkgever 2] ( [naam werkgever 2] ). Appellant heeft op 4 juni 2020 bij het Uwv een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend. 1.2. Bij besluit van 30 juni 2020 heeft het Uwv appellant een WW-uitkering ontzegd per 8 juni 2020 omdat hij in 36 kalenderweken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag niet in 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft gewerkt. Hierdoor voldoet appellant niet aan de zogenoemde wekeneis. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.3. Bij beslissing op bezwaar van 26 oktober 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv de eerste werkloosheidsdag vastgesteld op 8 juni 2020. Hiervan uitgaande loopt de referteperiode van 36 kalenderweken van 30 september 2019 tot en met 7 juni 2020. Omdat appellant ziek is geweest tijdens de referteperiode, heeft het Uwv de referteperiode voorverlengd met één week. De referteperiode is aldus bepaald op de periode van 23 september 2019 tot en met 7 juni 2020. In deze referteperiode heeft appellant volgens het Uwv in zeventien kalenderweken gewerkt. Daarmee voldoet hij niet aan de wekeneis. Uitspraak van de rechtbank 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In beroep heeft het Uwv de referteperiode met nog één week voorverlengd en vastgesteld op de periode van 16 september 2019 tot en met 7 juni 2020. In deze periode heeft appellant in achttien kalenderweken ten minste één arbeidsuur gehad (gewerkte weken). Dit is tussen partijen niet in geschil. Ter beoordeling ligt voor of de acht kalenderweken in de periode van 5 oktober 2019 tot en met 29 november 2019, waarin appellant niet heeft gewerkt maar waarin hij betaald verlof heeft genoten (‘Paid annual leave’, zoals neergelegd in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst), gelijkgesteld kunnen worden met gewerkte weken. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat de kalenderweken in deze periode niet kunnen meetellen voor de wekeneis omdat deze zijn gelegen na afloop van het dienstverband met [naam werkgever 1] . De rechtbank heeft daarbij de arbeidsovereenkomst van appellant met [naam werkgever 1] als uitgangspunt genomen. In artikel 3 van de arbeidsovereenkomst is vermeld: “The seafarer is employed for the lenght of the voyage of [naam vrachtship] , commencing on 12 August 2019 from the port of Brugge, Belgium, until about 12 October 2019 at which point the employment agreement will terminate (…).” Deze tekst kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden verstaan dan dat de overeenkomst gold voor de duur van de reis van de [naam vrachtship] en eindigde op de dag dat appellant van boord is gegaan, dus op 5 oktober 2019. Dat het gebruikelijk is dat het compensatieverlof direct aansluitend aan een vaarperiode wordt genoten en normaliter het dienstverband wordt beëindigd na afloop van de beëindiging van dat compensatieverlof, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht. De arbeidsovereenkomst is hier leidend. Appellant heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de bedoeling van partijen anders is geweest. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van de Gelijkstellingsregeling arbeidsuren (Gelijkstellingsregeling) de 55 compensatieverlofdagen niet kunnen worden meegenomen voor de wekeneis. Het standpunt van appellant 3.1. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat de 55 compensatieverlofdagen, die zijn uitbetaald na afloop van het dienstverband met [naam werkgever 1] en die hij heeft genoten in de periode van 5 oktober 2019 tot 29 november 2019, moeten worden aangemerkt als gewerkte dagen. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat alleen gelijkstelling kan plaatsvinden van uren die zijn gelegen binnen het dienstverband. Uit de tekst van artikel 1, aanhef, en onder a, van de Gelijkstellingregeling volgt dat ook een uur, dat voortvloeit uit de dienstbetrekking, gelijkgesteld kan worden. In artikel 6 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat per gewerkte vaardag een volledig betaalde compensatiedag wordt opgebouwd. Volgens appellant betreft het daarom compensatieverlofuren die voortvloeien uit de dienstbetrekking met [naam werkgever 1] en daarom voor gelijkstelling in aanmerking komen. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het dienstverband van appellant is geëindigd per 5 oktober 2019. Het Uwv blijft bij zijn standpunt dat alleen voor gelijkstelling in aanmerking kunnen komen de niet-gewerkte weken waarin compensatieverlofdagen zijn gelegen, voor zover die dagen zijn gelegen binnen de dienstbetrekking. Het Uwv verwijst daarbij naar vaste rechtspraak van de Raad, waarnaar ook de rechtbank heeft verwezen in de aangevallen uitspraak. Daarnaast heeft het Uwv verwezen naar de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte weken met gewerkte weken (Regeling), die per 1 januari 2013 is vervangen door de Gelijkstellingsregeling. In de Regeling was in de aanhef opgenomen: “ (...) Overwegende, dat het wenselijk is regels te stellen over het gelijkstellen van weken, waarin geen arbeid is verricht in de dienstbetrekking, waaruit de werknemer werkloos is geworden, met weken, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Werkloosheidswet; (...) ”. Met de inwerkingtreding van de Gelijkstellingsregeling zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd. Het oordeel van de Raad 4.1.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WW ontstaat recht op uitkering voor de werknemer indien hij in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in tenminste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft. 4.1.2. Artikel 17a, tweede lid, van de WW bepaalt dat voor de vaststelling van het in artikel 17 bedoelde aantal van 26 kalenderweken arbeidsuren in één kalenderweek slechts in aanmerking worden genomen, voor zover deze betrekking hebben op de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden en op één of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, en voor zover deze niet reeds eerder hebben geleid tot het ontstaan van een recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk. 4.1.3. Artikel 1a, eerste lid, van de WW, bepaalt dat onder arbeidsuur in deze wet wordt verstaan: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.