23/2106 AKW Datum uitspraak: 14 november 2024 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2023, 21/3649 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) SAMENVATTING In deze zaak gaat het om de vraag of een zelfstandig ondernemer die afwisselend in Nederland en bij zijn gezin in Hongarije verblijft, recht heeft op kinderbijslag uit Nederland. Betrokkene werkt als zelfstandige in Nederland. In geschil is of hij ook op het moment dat hij tijdelijk zonder opdracht zit moet worden beschouwd als iemand die werkzaamheden verricht anders dan in loondienst in de zin van Vo 883/2004. De Raad overweegt dat Vo 883/2004 het aan de wetgeving van de werkstaat overlaat om te bepalen wat onder werkzaamheden anders dan in loondienst moet worden verstaan. Omdat betrokkene werkzaamheden verricht binnen de uitoefening van een bedrijf is volgens de Nederlandse socialezekerheidswetgeving ook tussen opdrachten door sprake van werkzaamheden anders dan in loondienst. Dat betekent dat in de hele periode in geding de wetgeving van de werkstaat (Nederland) van toepassing is en Nederland met voorrang bevoegd is kinderbijslag uit te keren. PROCESVERLOOP De Svb heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2024. Namens de Svb zijn verschenen mr. P. Stahl-de Bruin en mr. G.E. Eind. Betrokkene is verschenen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Betrokkene heeft sinds 2005 een eigen timmerbedrijf. Het bedrijf staat in Nederland ingeschreven als eenmanszaak bij de Kamer van Koophandel. Betrokkene voert enkel opdrachten uit in Nederland. 1.2. Op [datum] 2020 is betrokkene gehuwd. Zijn echtgenote is een Hongaars staatsburger en woont in Hongarije. Samen hebben zij een zoon, [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum kind 1] 2019. De echtgenote heeft uit een eerdere relatie een ouder kind, [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2017. Zij is gestopt met werken na de geboorte van [naam kind 2] . Betrokkene verblijft afwisselend in Nederland en bij zijn gezin in Hongarije. 1.3. Op 2 oktober 2019 heeft betrokkene kinderbijslag aangevraagd voor [naam kind 2] en [naam kind 1] . De Svb heeft het recht op kinderbijslag beoordeeld met ingang van 1 juli 2018. Met het besluit van 12 augustus 2020 (primaire besluit 1) is kinderbijslag geweigerd van juli 2018 tot en met april 2019, van september tot en met november 2019, over januari 2020 en vanaf april 2020. Over de andere maanden is wel kinderbijslag toegekend: van mei tot en met augustus 2019, over oktober en december 2019 en over februari en maart 2020. De Svb heeft daartoe overwogen dat betrokkene recht heeft op kinderbijslag in de maanden dat hij in Nederland daadwerkelijk arbeid verricht. Omdat hij geen ingezetene is van Nederland heeft hij volgens de Svb in de overige maanden geen recht op kinderbijslag. 1.4. Op 14 augustus 2020 heeft het Hongaarse orgaan laten weten dat in Hongarije recht bestaat op kinderbijslag voor [naam kind 2] maar dat Nederland het bevoegde orgaan is voor [naam kind 1] . Met een besluit van 12 februari 2021 (primaire besluit 2) is de Svb deels teruggekomen van het eerdere primaire besluit. Er is voor [naam kind 1] alsnog kinderbijslag toegekend over september en november 2019 en vanaf 1 juli 2020. Dit besluit is gehandhaafd met de beslissing op bezwaar van 27 mei 2021 (het bestreden besluit). De Svb heeft daarbij overwogen dat betrokkene niet in Nederland woont omdat het centrum van zijn belangen zich in Hongarije bevindt. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en beide primaire besluiten herroepen. De rechtbank komt tot het oordeel dat betrokkene aanspraak heeft op kinderbijslag voor beide kinderen ( [naam kind 2] vanaf 1 juli 2018, [naam kind 1] vanaf 1 juli 2019) tot en met maart 2021. In die periode is de Nederlandse wetgeving van toepassing op grond van de werkzaamheden als zelfstandige. Betrokkene doet per jaar aangifte voor de belasting en betaalt belasting over het hele jaar. Om die reden is Nederland het gehele jaar als werkland het aangewezen land en bestaat gedurende het gehele jaar recht op kinderbijslag voor beide kinderen. Verder overweegt de rechtbank dat artikel 59 van de Vo 987/2009 niet als grondslag kan dienen voor de vaststelling van het recht per maand. Deze bepaling zegt alleen iets over de aanpassing van aanspraken. Het standpunt van de Svb 3. De Svb is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat de Svb daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4.1. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over het recht op kinderbijslag heeft vernietigd. De Raad doet dan aan de hand van wat de Svb in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4.2. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Welke wetgeving is van toepassing? 4.3. Tussen partijen is in geschil of betrokkene alleen in de maanden waarin hij feitelijk in Nederland werkte verzekerd was voor de AKW, of ook in de maanden waarin die werkzaamheden werden onderbroken en hij bij zijn gezin in Hongarije verbleef. De Svb stelt zich op het standpunt dat de Nederlandse wetgeving alleen van toepassing was in de tijdvakken waarin betrokkene daadwerkelijk aan het werk was in Nederland. Betrokkene vindt dat hij ook in de maanden waarin hij in Hongarije verbleef verzekerd was voor de AKW. Hij stelt zich op het standpunt dat hij steeds in Nederland is blijven wonen. Bovendien bleef zijn bedrijf bestaan. 4.4. De Raad is van oordeel dat betrokkene ook in de maanden waarin hij in Hongarije verbleef en niet feitelijk werkte, aan de Nederlandse wetgeving onderworpen is gebleven en verzekerd was voor de AKW. De Raad baseert dit op het volgende. 4.4.1. Nu betrokkene in de periode in geding afwisselend in Nederland en in Hongarije verbleef, moet aan de hand van de aanwijsregels in Vo 883/2004 worden bepaald welke wetgeving van toepassing was. Op grond van de gedingstukken en wat op de zitting is besproken, stelt de Raad vast dat betrokkene vrijwel uitsluitend in Nederland arbeid heeft verricht. Als hoofdregel geldt dat degene die werkzaamheden verricht (in of anders dan in loondienst) onder de wetgeving valt van de lidstaat van de werkzaamheden. Als geen wetgeving op grond van werkzaamheden kan worden aangewezen, moet in de situatie van betrokkene worden teruggevallen op de restbepaling van artikel 11, derde lid, onderdeel e, van Vo 883/2004. Dan is de socialezekerheidswetgeving van toepassing van de lidstaat waar betrokkene woont. 4.4.2. Volgens de definitie in artikel 1 van Vo 883/2004 moet voor de toepassing van Vo 883/2004 onder werkzaamheden anders dan in loondienst worden verstaan: werkzaamheden of daarmee gelijkgestelde situaties die als zodanig worden beschouwd volgens de wetgeving van de werkstaat of de staat waar die situaties zich voordoen. Dat betekent dat gekeken moet worden naar de definitie in de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. In Beleidsregel SB2121 van de Svb is vermeld dat de vraag of sprake is van werkzaamheden in loondienst of werkzaamheden anders dan in loondienst in de zin van artikel 1 van Vo 883/2004 wordt beoordeeld aan de hand van de WW. “De SVB beoordeelt of sprake is van werkzaamheden in loondienst of werkzaamheden anders dan in loondienst aan de hand van de Werkloosheidswet. Werkzaamheden die leiden tot verplichte verzekering of de mogelijkheid van vrijwillige verzekering ingevolge die wet, worden aangemerkt als werkzaamheden in loondienst. Dit betekent dat de persoon die niet verplicht verzekerd is voor de Werkloosheidswet en zich daarvoor evenmin vrijwillig kan verzekeren, wordt aangemerkt als werkzaam anders dan in loondienst.” De Raad onderschrijft in beginsel deze uitleg van artikel 1, aanhef en onderdeel a en b, van Vo 883/2004. 4.4.3. Met deze uitleg is evenwel nog niet de vraag beantwoord of en wanneer onderbrekingen van de werkzaamheden van een zelfstandige leiden tot de conclusie dat geen sprake is van een toestand van werkzaam zijn anders dan in loondienst in de zin van artikel 1 van Vo 883/2004. De Svb heeft zich in op het standpunt gesteld dat bepalend is of de werkzaamheden daadwerkelijk worden verricht. Omdat betrokkene heeft gesteld alleen in Nederland te werken en niet ook in Hongarije is volgens de Svb in de periode van verblijf in Hongarije de Hongaarse wetgeving aangewezen. Hierover wordt het volgende overwogen. 4.4.4. Verzekerd voor de WW is de werknemer; de persoon die in dienstbetrekking staat. Een persoon wiens dienstbetrekking geheel of gedeeltelijk is geëindigd, behoudt de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd. Dat betekent dat iemand die eenmaal begint te werken als zelfstandig ondernemer voor de WW de hoedanigheid van werknemer voor die gewerkte uren verliest. De persoon wiens werknemerschap is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, herkrijgt volgens de WW de hoedanigheid van werknemer pas bij de volledige beëindiging van die werkzaamheden. Niet in geschil is dat betrokkene zijn werkzaamheden als zelfstandige ten tijde in geding niet volledig had beëindigd. 4.4.5. Dat de kwalificatie als zelfstandige niet beperkt wordt tot de tijdvakken waarin daadwerkelijk werkzaamheden zijn verricht volgt ook uit de verwijzing naar de Wet IB 2001 in verschillende nationale bepalingen. Een overeenkomst tot aanneming van werk wordt op grond van artikel 4 van de WW beschouwd als dienstbetrekking. Dat geldt echter niet als betrokkene als zelfstandig ondernemer winst uit onderneming geniet volgens de Wet IB 2001. Verder is op grond van artikel 9 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 verzekerd op grond van de volksverzekeringen de persoon die niet in Nederland woont en die belastbare winst uit Nederlandse onderneming geniet als bedoeld in de Wet IB 2001, mits hij in Nederland arbeid verricht voor die onderneming. Op grond van de Wet IB 2001 verliest iemand niet steeds zijn status als zelfstandig ondernemer in maanden waarin geen daadwerkelijke werkzaamheden worden verricht. 4.4.6. Voor betrokkene betekent dit het volgende. Betrokkene is vanaf 2005 de hoedanigheid van werknemer kwijtgeraakt omdat hij werkzaam is in zijn eigen bedrijf. Het timmerbedrijf is, zoals gezegd, niet beëindigd in de periode in geding. Het voeren van een eigen bedrijf waarin winst uit onderneming wordt genoten moet, zoals blijkt uit het voorgaande, volgens de Nederlandse socialezekerheidswetgeving beschouwd worden als het uitoefenen van werkzaamheden anders dan in loondienst, ook in periodes waarin betrokkene niet daadwerkelijk heeft gewerkt. Terecht heeft de rechtbank dan ook geoordeeld dat gedurende de tijdvakken in geding op betrokkene de Nederlandse wetgeving van toepassing was op grond van artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van Vo 883/2004. 4.4.7. De grond van de Svb, dat de Nederlandse wetgeving alleen van toepassing is in de tijdvakken waarin betrokkene daadwerkelijk aan het werk is in Nederland, slaagt dus niet. De aanspraak van betrokkene gaat vóór de aanspraak van de echtgenote 4.5.1. Uit 4.4.1 tot en met 4.4.7 blijkt dat betrokkene (ook) over de periodes waarin hij in Hongarije verbleef, aanspraak had op kinderbijslag voor [naam kind 2] en [naam kind 1] . Zijn echtgenote had over die periodes aanspraak op Hongaarse gezinsbijslag omdat zij in Hongarije woonde. Voor een dergelijke situatie is in artikel 68 van Vo 883/2004 geregeld dat de rechten verkregen op grond van werkzaamheden, al dan niet in loondienst, voorgaan op rechten op grond van de woonplaats. 4.5.2. Het recht op kinderbijslag van betrokkene heeft dus voorrang op het recht van de echtgenote. Of betrokkene in de periode in geding in Nederland of in Hongarije woonde, is onder die omstandigheden niet meer van belang. De Raad zal dit dan ook in het midden laten. Biedt de toepassingsverordening een grondslag voor het bestreden besluit? 4.6.1. De Svb heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 59 van de Vo 987/2009 geen grondslag biedt voor de maandelijkse vaststelling van het recht op kinderbijslag. De Svb hanteert op grond van deze bepaling beleid dat Nederlandse kinderbijslag wordt betaald met ingang van de maand die volgt op de maand waarin de betaling uit een andere lidstaat stopt. Daardoor kunnen de betalingen van kinderbijslag afwijken van de kwartaalsystematiek van de AKW. Ten onrechte heeft de rechtbank daarbij verwezen naar de tekst van artikel 59 van Vo 883/2004. 4.6.2. Als de toepasselijke wetgeving wijzigt en/of een andere lidstaat bevoegd is gezinsuitkeringen toe te kennen gaat het orgaan van de lidstaat dat de betalingen overneemt betalen vanaf de datum dat dat de oorspronkelijke lidstaat ophoudt te betalen. Het orgaan van de lidstaat dat op het moment van de wijziging de bijslag betaalt blijft dit doen tot het einde van de maand waarin de wijziging plaatsvindt. De wijziging vindt dus steeds per eerste dag van de maand plaats. Dit is geregeld in artikel 59 van Vo 987/2009. In zoverre heeft de Svb gelijk. 4.6.3. De Svb heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft getoetst aan de tekst van artikel 59 van Vo 883/2004 in plaats van aan artikel 59 van de Vo 987/2009. In zoverre slaagt het hoger beroep. Dit leidt echter niet tot het door de Svb gewenste resultaat. Artikel 59 van Vo 987/2009 beschrijft wat moet gebeuren als de toepasselijke wetgeving wijzigt en/of een andere lidstaat bevoegd wordt gezinsuitkeringen toe te kennen. Het geeft daarmee niet zelf een grondslag voor die wijziging. Welke wetgeving van toepassing is vloeit voort uit titel II van Vo 883/2004, en welke lidstaat bij voorrang bevoegd is kinderbijslag te betalen is geregeld in artikel 68 van Vo 883/2004. Nu op betrokkene onafgebroken de Nederlandse wetgeving van toepassing is gebleven en de Svb bij voorrang kinderbijslag moest uitbetalen, is artikel 59 van Vo 987/2009 in dit geval niet meer van belang. De terechte klacht van de Svb leidt dus niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Conclusie en gevolgen 4.7. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat betrokkene in de periode in geding voor beide kinderen ( [naam kind 2] vanaf 1 juli 2018 en [naam kind 1] vanaf 1 juli 2019) aanspraak heeft op kinderbijslag. 5. Omdat de Svb deels in het gelijk wordt gesteld is er geen aanleiding van de Svb een griffierecht te heffen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en M.A.H. van Dalen-van Bekkum en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2024. (getekend) E.E.V. Lenos (getekend) N. El Khabazi Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels Verordening (EG) Nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening: (…)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.