← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2024:2230

232796 AWBZ-PV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 september 2023, 22/2832 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) VGZ Zorgkantoor (zorgkantoor) Datum uitspraak: 30 oktober 2024 Zitting hebben: K.M.P. Jacobs als voorzitter en J.J. Janssen en C.W.C.A. Bruggeman als leden Griffier: C.K. Teunissen Ter zitting is appellante verschenen, bijgestaan door mr. C.J. Driessen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Gohari en M. van der Wal. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 2 november 2022; draagt het zorgkantoor op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld; veroordeelt het zorgkantoor in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.500,-; bepaalt dat het zorgkantoor het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 186,- vergoedt. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

  1. Het zorgkantoor heeft de aanvraag van appellante om een persoonsgebonden budget (pgb) afgewezen. Aan deze afwijzing heeft het zorgkantoor het bepaalde in artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wet langdurige zorg (Wlz) ten grondslag gelegd. In deze bepaling staat dat een pgb in ieder geval wordt geweigerd indien de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. Het gaat hierbij om de besteding van het pgb dat appellante in de periode van 2012 tot en met 2014 heeft ontvangen in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
  2. Zoals ter zitting is besproken met partijen houdt de afwijzing van de aanvraag op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz geen stand. Het zorgkantoor heeft zich ten onrechte bevoegd geacht om op grond van de overweging dat appellante zich niet heeft gehouden aan verplichtingen verbonden aan het AWBZ-pgb, een pgb op grond van de Wlz te weigeren. Dit heeft de Raad eerder overwogen.
  3. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Ook het bestreden besluit wordt vernietigd. De Raad beschikt over onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. De Raad zal het zorgkantoor opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door het zorgkantoor te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
  4. Aanleiding bestaat om het zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.750,- in beroep voor verleende rechtsbijstand (2 punten met wegingsfactor 1) en op 1.750,- in hoger beroep (2 punten met wegingsfactor 1). Appellante krijgt het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoed. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) C.K. Teunissen (getekend) K.M.P. Jacobs Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep Zie de uitspraak van 7 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1057.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.