21/4081 ZW, 21/4082 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2021, 20/6545 (aangevallen uitspraak 1) en 20/5790 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 4 december 2024 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het Uwv heeft verweerschriften ingediend. Op 13 december 2023 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen die betrekking heeft op beide zaken. Appellant heeft de hoger beroepen ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift tegen het verzoek om vergoeding van de proceskosten in te dienen. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Appellant heeft de hoger beroepen ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 13 december 2023 volledig aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van beide zaken in bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, in gevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 1.248,- voor het bezwaar in zaak 21/4081 ZW (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting op 4 november 2020, met een waarde per punt van € 624,-) en € 1.248,- voor het bezwaar in zaak 21/4082 ZW (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting op 22 september 2020, met een waarde per punt van € 624,-). In beroep en hoger beroep is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb. De kosten voor deze fases worden begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 875,-) en € 875,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van de hoger beroepschriften). De totale proceskostenvergoeding bedraagt € 5.121,-. Ook moet het Uwv in beide zaken het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 5.121,-; - bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 364,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2024. (getekend) T. Dompeling (getekend) S. Pouw
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.