← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2024:403

20/3722 ZW Datum uitspraak: 26 februari 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 oktober 2020, 19/5367 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [Woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de uitkering van appellante op grond van de Ziektewet (ZW) per 12 augustus 2019 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat om de door het Uwv geselecteerde functies te verrichten zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 januari

  1. Voor appellante is mr. J.G. Roethof verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong. OVERWEGINGEN Inleiding
  2. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.
  3. Appellante heeft voor het laatst gewerkt als medewerker schoonmaak voor 24,98 uur per week. Op 13 maart 2018 heeft zij zich ziekgemeld met knieklachten. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de ZW toegekend. In het kader van een eerstejaars ZWbeoordeling (EZWb) heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 28 februari 2019 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 13 april 2019 beëindigd, omdat zij met de geselecteerde functies meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. 1.
  4. Bij - herzien - besluit van 6 september 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de ZW-uitkering per 13 april 2019 voortgezet. In hetzelfde besluit is de ZW-uitkering beëindigd per 12 augustus
  5. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een gewijzigde FML van 22 mei 2019 opgesteld en de arbeidskundige bezwaar en beroep heeft (deels) andere geschikte functies geselecteerd. Uitspraak van de rechtbank
  6. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het Uwv het medisch onderzoek zorgvuldig verricht. Alle klachten van appellante op de datum in geding zijn in kaart gebracht en betrokken in de medische beoordeling. De beschreven ziekteverschijnselen komen voorts overeen met de informatie van appellante. Het Uwv heeft daarnaast op overtuigende wijze toegelicht in hoeverre appellante belast kan worden met werk. Omdat appellante geen nadere medische informatie heeft aangeleverd die erop wijst dat de medische situatie op de datum in geding anders was dan het Uwv heeft aangenomen, is er geen aanleiding om aan de medische conclusies te twijfelen. Omdat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en de conclusie van het Uwv op overtuigende wijze is toegelicht, terwijl appellante niet in bewijsnood verkeert, wijst de rechtbank het verzoek om het benoemen van een medisch deskundige af. De door het Uwv geselecteerde functies acht de rechtbank in beroep voorts deugdelijk gemotiveerd. De functie monteur printplaten (SBC-code 267051) is weliswaar vervallen, maar de resterende functies hebben voldoende beenruimte op de werkplek om de benen te streken en te buigen. Daarnaast kan appellante naar eigen inzicht staan en vertreden tijdens de werkzaamheden, terwijl zitten tijdens de dag regelmatig wordt onderbroken met staan. Met de resterende functies kan appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen verdienen. Daarmee komt zij niet in aanmerking voor een ZW-uitkering. Het standpunt van appellante 3.
  7. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Over haar knieklachten heeft appellante haar medisch dossier van de Sint Maartenskliniek overgelegd, waaronder röntgenfoto’s en een brief van de hoofdbehandelaar van 27 december
  8. Appellante acht zich fysiek niet in staat om te werken in de door het Uwv passend bevonden functies. Het standpunt van het Uwv 3.
  9. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad
  10. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.
  11. Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatst verdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken. 4.
  12. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat haar beperkingen onjuist door het Uwv zijn ingeschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 26 juli 2021 op inzichtelijke en overtuigende wijze uiteengezet dat de door appellante in hoger beroep overgelegde medische stukken niet tot een andere conclusie leiden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht zijn bevindingen naar aanleiding van het onderzoek aan de knie in lijn met die van de orthopeed van 3 december
  13. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante toegelicht dat de stelling dat het medisch oordeel van het Uwv onjuist is, is gebaseerd op de door appellante ervaren klachten. Daarover heeft de rechtbank terecht overwogen dat de beleving van appellante van haar klachten bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet doorslaggevend is, maar dat het gaat om uit het vastgestelde ziektebeeld voortvloeiende beperkingen. 4.
  14. Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat, uitgaande van de FML van 22 mei 2019, de geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn. Conclusie en gevolgen
  15. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
  16. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van N. Zwijnenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari
  17. (getekend) S. Wijna De griffier is verhinderd te ondertekenen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:
  18. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3214.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.