18/5189 WAJONG Datum uitspraak: 29 februari 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 september 2018, 17/7326 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] [Woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de Wajong‑uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2018 heeft verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak via videobellen behandeld op een zitting van 12 februari 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.P.F. Oosterbos. Het onderzoek is heropend na de zitting. De door de Raad als deskundige benoemde dr. I.A.K. Snels heeft op 12 mei 2022 rapport uitgebracht. Partijen hebben hierop gereageerd. Op 24 april 2023 heeft de deskundige op deze zienswijzen gereageerd. Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren op [datum] 1979, ontvangt sinds 1997 in verband met ernstige vermoeidheidsklachten een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 24 april 2017 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. 1.3. Bij besluit van 2 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 24 april 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende onderzoeken op zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden en er geen aanwijzingen zijn dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. Voor het inschakelen van een deskundige ziet de rechtbank daarom geen aanleiding. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat appellante arbeidsvermogen heeft. De energetische beperkingen van appellante zijn niet van dien aard dat zij niet vier uur per dag belastbaar is of een uur aaneengesloten kan werken. De beschikbare gegevens bevatten geen aanwijzingen dat het te verwachten ziekteverzuim meer dan 25% zal bedragen. Een recuperatiebehoefte staat niet aan het aannemen van basale werknemersvaardigheden in de weg. De geschiktheid voor de taak ‘scannen’ is als zodanig niet in geschil. Het standpunt van appellante 3.1. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Deskundige benoemd 4.1.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van 12 februari 2021 is bij de Raad twijfel ontstaan over de juistheid van de medische beoordeling, in het bijzonder het standpunt van het Uwv dat de vermoeidheidsklachten en daarmee samenhangende recuperatiebehoefte van appellante niet van dien aard zijn dat deze objectief medisch in de weg staan aan het aaneengesloten werken gedurende ten minste een periode van één uur en het ten minste vier uur per dag belastbaar zijn. De Raad heeft daarom verzekeringsarts dr. Snels als deskundige benoemd. 4.1.2. De deskundige heeft op 12 mei 2022 een rapport uitgebracht en op basis van haar bevindingen bij onderzoek geconcludeerd dat appellante ten minste vier uur per dag belastbaar is (te weten twee maal twee uur aaneengesloten met een kwartier pauze, viermaal een uur aaneengesloten met een pauze of varianten die tussen deze mogelijkheden in zitten) en ten minste één uur aaneengesloten kan werken. Hiertoe heeft de deskundige overwogen dat voldoende aannemelijk is dat er bij appellante sprake is van een energetische beperking op basis van haar schildklieraandoening. Gelet op de chroniciteit van haar klachten en de onderliggende hypothyreoïdie die al vele jaren bestaat en biochemisch adequaat wordt gesuppleerd acht de deskundige het aannemelijk dat er al die jaren ook geen wezenlijke verandering van haar belastbaarheid is opgetreden. Verzekeringsgeneeskundig kan zij zich vinden in de belastbaarheid zoals weergegeven in de FML van 2009: geschikt voor halve dagen fysiek en mentaal licht werk. Dit impliceert dat er ook arbeidsvermogen is, al zijn de criteria daarvoor wat anders, aldus de deskundige. Wat betreft het criterium van één uur aaneengesloten kunnen werken is de deskundige van mening dat dit mogelijk is. Dit baseert zij op het dagverhaal en haar bevindingen bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek waarbij zij ruim een uur met appellante een gesprek heeft kunnen voeren. Het dagverhaal in de verschillende rapportages, zoals weergegeven tijdens het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en beschreven in het dagboek dagelijks functioneren (september/oktober 2018) laat ook zien dat appellante weliswaar verdeeld over de dag, maar alles bij elkaar toch wel ruim vier uur dingen doet. Dat maakt dat de deskundige haar ook vier uur per dag belastbaar acht. Hoewel appellante afgaand op haar dagverhaal haar activiteiten steeds afwisselt met (meestal) liggende rust, acht de deskundige dat op basis van het onderliggende ziektebeeld niet te verklaren. Medisch gezien zou zij ook zittend kunnen rusten. Vanuit het ziektebeeld is het aannemelijk dat appellante extra recuperatietijd per dag nodig heeft. Het is echter niet goed te verklaren waarom zij na elke (lichte) activiteit zoals bijvoorbeeld de was aanzetten, weer zou moeten rusten. Dit lijkt voort te komen uit gewenning en deconditionering. Anderzijds is het wel aannemelijk dat appellante na twee uur enige hersteltijd nodig heeft. Vanuit het ziektebeeld kan de deskundige geen verklaring vinden waarom appellante niet een dagdeel in passend werk zou kunnen werken met daarin eenmaal een onderbreking van een kwartier (pauze). 4.2. Appellante heeft te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in het rapport van de deskundige. Zij acht de motivering van de deskundige te algemeen en niet voldoende toegespitst op haar concrete situatie. Beoordeeld moet worden tot welke beperkingen de aandoening hypothyreoïdie bij appellante leidt. Uit de brief van internist F. van Loon van 10 juli 2017 blijkt dat de klachten niet zijn verbeterd, maar dat de extreme vermoeidheid juist is toegenomen. De conclusie van de deskundige dat de belastbaarheid sinds 2009 ongewijzigd is gebleven vindt dan ook geen steun in de medische stukken. Uit de brieven van fysiotherapeut D. van Gooi van 17 mei en 3 november 2017 blijkt dat het afwisselen van activiteiten met liggend rusten niet voortkomt uit gewenning en deconditionering, maar het resultaat is van een jarenlang zoeken naar de juiste balans tussen activiteit en rust. Daarbij is gebleken dat een geringe toename van belasting sterk negatieve gevolgen heeft voor het algehele functioneren van appellante. Juist door haar activiteiten af te wisselen met liggend rusten, is zij in staat om een zeker niveau van functioneren te handhaven. Dat dit niet zou zijn te verklaren vanuit het ziektebeeld, is bovendien onjuist. Uit de brieven van fysiotherapeut Van Gooi blijkt immers dat daarvoor een goede fysiologische verklaring bestaat. Het van toepassing achten van de FML van 2009 inclusief de uit de onderliggende rapportage van 7 december 2009 blijkende voorwaarde dat de mogelijkheid moet bestaan om extra pauzes in te lassen, verdraagt zich niet met het standpunt dat na 2 uur arbeid slechts een korte pauze nodig is om opnieuw 2 uur belastbaar te zijn. In zoverre is de conclusie van de deskundige innerlijk tegenstrijdig. 4.3. Het Uwv heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de conclusie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.