22/3940 AOW Datum uitspraak: 7 maart 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 november 2022, 22/1195 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) SAMENVATTING De Svb heeft aanvankelijk een besluit genomen waarbij de uitbetaling van het ouderdomspensioen vanaf september 2021 is stopgezet, maar dit besluit ingetrokken en de uitbetaling van het ouderdomspensioen met terugwerkende kracht hersteld vanaf 27 december 2021. Appellant is het niet eens met dat laatste besluit, omdat hij een hoger ouderdomspensioen wil of compensatie in de vorm van zo’n hoger pensioen. De Raad oordeelt dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een hoger ouderdomspensioen vanaf 27 december 2021 en dat appellant geen recht heeft op de gevraagde compensatie. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 januari 2024. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg. OVERWEGINGEN Inleiding 1.1. Appellant ontvangt sinds november 2014 een ouderdomspensioen voor een gehuwde. Op 7 juli 2021 heeft de Svb een melding ontvangen dat de echtgenote van appellant met ingang van 19 maart 2021 zou zijn verhuisd naar een ander adres. De Svb heeft vervolgens onderzoek gedaan om te bepalen of appellant door de verhuizing duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. 1.2. De Svb heeft appellant in een brief van 8 juli 2021 gevraagd om informatie te verstrekken door het formulier ‘Onderzoek woonsituatie’ in te vullen en te zorgen dat de informatie vóór 10 augustus 2021 bij de Svb binnen is. In een brief van 12 augustus 2021 heeft de Svb appellant meegedeeld dat de gevraagde informatie nog niet is ontvangen en hem verzocht om te zorgen dat die alsnog vóór 31 augustus 2021 bij de Svb binnen is. Met een besluit van 15 september 2021 heeft de Svb vastgesteld dat aan appellant voorlopig geen ouderdomspensioen meer wordt uitbetaald. De Svb heeft de uitbetaling van het ouderdomspensioen vanaf september 2021 gestopt. 1.3. In een formulier van 14 juli 2021 heeft de echtgenote informatie verstrekt over de woonsituatie van appellant en haarzelf. Met het besluit van 17 december 2021 heeft de Svb vastgesteld dat de uitbetaling van het ouderdomspensioen vanaf december 2021 wordt hervat en appellant over oktober 2021 tot en met december 2021 een nabetaling krijgt van € 2.515,65. Daarbij is vastgesteld dat appellant vanaf januari 2022 recht heeft op een ouderdomspensioen van € 901,07 bruto per maand. 1.4. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt maar de Svb is met een besluit van 1 maart 2022 (bestreden besluit) bij de vaststelling van de hoogte van het ouderdomspensioen gebleven, omdat appellant geen recht heeft op een pensioen voor een ongehuwde. 1.5. De Svb heeft een klacht van appellant over het zonder overleg stopzetten van de betaling van zijn ouderdomspensioen gegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb erkend dat hij de uitbetaling van het ouderdomspensioen niet mocht stoppen en het uitblijven van het formulier geen reden is om te twijfelen aan de rechtmatigheid van het ouderdomspensioen voor een gehuwde. 1.6. Met een besluit van 13 januari 2022 heeft de Svb vastgesteld dat het ouderdomspensioen van appellant niet verandert door de informatie over de woonsituatie. 1.7. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 2.1. De rechtbank vindt dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor een ouderdomspensioen naar de norm voor ongehuwden. Volgens de rechtbank leven appellant en zijn echtgenote niet duurzaam gescheiden van elkaar. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant en zijn echtgenote op verschillende adressen zijn ingeschreven, maar verder niet gescheiden leven. 2.2. Verder heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat een beslissing over de schadevergoeding niet voorligt. Appellant wil schadevergoeding in verband met de onterechte tijdelijke stopzetting van het ouderdomspensioen. Volgens de rechtbank heeft de Svb bij de hervatting van de uitbetaling in december 2021 het ouderdomspensioen met terugwerkende kracht uitbetaald en kan appellant voor schadevergoeding een onderbouwd verzoek indienen bij de Svb. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank de vaststelling van de Svb dat appellant vanaf 27 december 2021 recht heeft op een pensioen voor een gehuwde en dus geen recht heeft op een pensioen voor een ongehuwde terecht in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Geen sprake van duurzaam gescheiden leven 4.1. In geschil is of appellant op 27 december 2021 als duurzaam gescheiden levend moet worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. In dit artikel staat dat voor de toepassing van de AOW als ongehuwd mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. 4.2.1. Voor gevallen waarin geen sprake is van een ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving legt de Raad het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.