← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2024:716

232531 WAO-PV Datum uitspraak: 3 april 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juli 2023, 22/5478 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Zitting heeft: C. Karman, lid van de enkelvoudige kamer Griffier: A.M. Geurtsen Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om vergoeding van schade af. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. In deze zaak heeft het Uwv bij besluit van 22 augustus 2022 de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant per 25 november 2022 beëindigd, omdat hij vanaf die datum een uitkering op grond van de Algemene ouderdomswet zal ontvangen. Bij besluit van 14 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft aangevoerd dat zijn hoger beroep niet is gericht tegen het beëindigen van zijn WAO-uitkering, maar tegen het mislopen van inkomsten als gevolg van een onvolledige pensioenopbouw, waarvoor hij het Uwv aansprakelijk stelt. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat alleen sprake is van voldoende procesbelang, indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Het bestreden besluit heeft slechts tot gevolg dat de WAO-uitkering van appellant wordt beëindigd. Het door appellant beoogde doel, het herstellen van zijn pensioenopbouw, kan niet middels dit hoger beroep bereikt worden. Dit betekent dat appellant geen procesbelang heeft. Het hoger beroep wordt daarom nietontvankelijk verklaard. Aangezien appellant is opgekomen tegen het beëindigingsbesluit en niet tegen het vermeende schadeveroorzakend besluit, wordt het verzoek tot vergoeding van schade afgewezen. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. Utrecht, 3 april 2024 De griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer. (getekend) A.M. Geurtsen (getekend) C. Karman Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2805.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.