22/3397 WAJONG Datum uitspraak: 10 april 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2022, 21/5512 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij op [geboortedatum] 2004 (de dag dat hij achttien jaar werd) duurzaam niet over arbeidsvermogen. Daarom is hij jonggehandicapte en komt hij in aanmerking voor een Wajong-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I. van Medenbach de Rooij, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 maart 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeijer. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant is geboren op [geboortedatum] 1986. Hij heeft op 1 september 2020 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd. Daarbij is vermeld dat appellant te maken heeft met psychische klachten. 1.2. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht en geconcludeerd dat van een verlies aan arbeidsvermogen in de voor de Wajong relevante periode niet is gebleken. Met een besluit van 12 januari 2021 heeft het Uwv geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.3. Bij besluit van 17 september 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv zijn motivering gewijzigd. Het Uwv stelt dat er op de 18e verjaardag van appellant sprake was van ziekte of gebrek, maar ook dat er op 1 september 2020, de datum van de aanvraag arbeidsvermogen was. Daarom was appellant ten tijde van de aanvraag geen jonggehandicapte en komt hij niet in aanmerking voor een Wajong-uitkering. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank stelt voorop dat appellant op de zitting heeft bevestigd dat uitsluitend in geschil is of hij in de periode in geding beschikte over basale werknemersvaardigheden. 2.2. De rechtbank volgt de motivering van het Uwv dat daarvan sprake is. Daarbij wordt van belang geacht dat appellant na zijn achttiende jaar meerdere jaren in loondienst heeft gewerkt, waarvan twee jaar bij dezelfde werkgever, en dat geen sprake is geweest van een onafgebroken periode waarin appellant geen arbeidsvermogen had. Dat appellant bij een werkgever begeleiding kreeg leidt niet tot een andere conclusie. Er kan ook sprake zijn van arbeidsvermogen als iemand begeleiding nodig heeft. In een passende werksituatie en met adequate begeleiding wordt appellant in staat geacht om afspraken met een werkgever na te komen. Het standpunt van appellant 3.1. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat hij in de vijf jaar na zijn achttiende jaar al geen arbeidsvermogen had. Volgens appellant is de rechtbank er aan voorbij gegaan dat hij tijdens zijn werkzaamheden begeleiding kreeg van zijn zwager. Het betrof intensieve begeleiding van iemand die appellant volledig vertrouwde omdat het familie was. Vanwege zijn psychische problematiek heeft appellant begeleiding nodig van iemand die hij vertrouwt. Door die specifieke begeleidingsbehoefte gaat de benodigde begeleiding verder dan wat in een arbeidsorganisatie kan worden geboden. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4.1. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten. Dat doet de Raad aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.2. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Een betrokkene heeft geen arbeidsvermogen als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.