22/3573 WAJONG Datum uitspraak: 17 april 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 oktober 2022, 22/1350 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 maart 2024. Voor appellante is mr. Gürses verschenen. Het Uwv is niet verschenen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 2002, heeft met een door het Uwv op 6 november 2020 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante rugklachten heeft. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van de huisarts. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 24 maart 2021 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.2. Bij besluit van 15 februari 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, was aanwezig op de hoorzitting van 16 december 2022 en heeft appellante diezelfde dag medisch onderzocht. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie uit de behandelend sector betrokken bij haar beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden beargumenteerd hoe de beoordeling tot stand is gekomen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat de verzekeringsartsen bij het beoordelen van het arbeidsvermogen onvoldoende rekening hebben gehouden met de klachten van appellante. De fysieke klachten van appellante zijn erkend en er zijn beperkingen vastgesteld voor rug- en beenklachten en appellante is aangewezen op een werkplek in de buurt van een toilet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht appellante, gezien de vastgestelde beperkingen en de aard en ernst van de problematiek, in staat gedurende tenminste één uur aaneengesloten te werken en tenminste vier uur per dag belastbaar. Wat appellante heeft aangevoerd is voor de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het oordeel van de arbeidsdeskundige. De arbeidsdeskundige heeft toegelicht dat appellante bij haar aanvraag te kennen heeft gegeven dat zij administratie verricht voor het bedrijf van haar vader en een kennis, dat appellante volgens de verzekeringsarts is aangewezen op rugsparende activiteiten en dat de voorbeeldtaak scannen niet rugbelastend is. Ook heeft de arbeidsdeskundige toegelicht dat er gezien de opleiding en het arbeidsverleden van appellante geen aanleiding is om te twijfelen aan basale werknemersvaardigheden bij appellante. Het standpunt van appellante 3.1. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat appellante duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Appellante kan niet één uur aaneengesloten werken en is niet vier uur per dag belastbaar is. Zij heeft constant pijn en daardoor een verstoorde nachtrust en ook gebruik zij medicatie. Dat een toename van de klachten niet tot een toename van de beperkingen leidt, kan appellante niet volgen. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij geen taak kan uitvoeren. Dit blijkt uit het dagverhaal omdat zij in het dagelijks leven geen taken uitvoert. Ter zitting heeft appellante betoogd dat de taak scannen niet passend is, omdat deze te zwaar is. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.