22/3664 WAJONG Datum uitspraak: 17 april 2024 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 oktober 2022, 21/2035 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.L. Crutzen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 maart 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Crutzen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1997, heeft met een door het Uwv op 1 december 2020 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante klachten heeft als gevolg van PDD-NOS, ADD en bekkeninstabiliteit. Bij de aanvraag is een brief van Bekken-Pro van 27 augustus 2019 en een brief van Praktijk You Contact van 28 januari 2020 bijgevoegd. Het Uwv heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante zowel op haar achttiende verjaardag als op de datum van de aanvraag arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 13 januari 2021 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. 1.2. Bij besluit van 17 juni 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank is er geen sprake van een onzorgvuldig onderzoek van het Uwv. De verzekeringsartsen hebben het dossier en de ontvangen medische informatie bestudeerd, waaronder de brieven van Bekken-Pro en Praktijk You Contact en de informatie van Stichting MEE van 22 januari 2019. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat er geen reden is om aanvullende medische informatie op te vragen, omdat al voldoende informatie voorhanden is. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de in beroep overgelegde brief van Praktijk You Contact van 22 september 2021. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medische beoordeling van de verzekeringsartsen onjuist is. De verzekeringsartsen hebben gemotiveerd dat appellante ten minste vier uur per dag of twee keer twee uur per dag belastbaar is, op voorwaarde dat rekening wordt gehouden met haar beperkingen. Verder hebben de verzekeringsartsen gemotiveerd dat appellante ten minste één uur aaneengesloten kan werken, omdat uit de medische informatie niet kan worden afgeleid dat appellante zo beperkt is in aandacht, geheugen en/of stemming dat meer dan één keer per uur een substantiële onderbreking van het arbeidsproces noodzakelijk is om appellante bij te sturen. Appellante kan het (vrijwilligers)werk in de tattooshop maximaal drie uur aaneengesloten uitvoeren, met een pauze tussendoor van 30-45 minuten. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de arbeidsdeskundige beoordeling onjuist is. De arbeidsdeskundigen hebben uitgebreid gemotiveerd dat appellante de taak scannen kan uitvoeren. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is de taak scannen geschikt voor appellante, omdat het gestructureerd en overzichtelijk werk is dat fysiek niet zwaar is. Appellante hoeft zelf niet te tillen en/of dragen en het werk kan zittend worden verricht. Ook is afwisseling mogelijk met staan en lopen op het moment dat het scannen plaatsvindt. Bovendien kan begeleiding plaatsvinden door de op de werkplek aanwezige leidinggevende. Ook is bij het verrichten van de taak scannen geen sprake van prikkels in de vorm van lawaai van machines of werkzaamheden, veel drukte en rumoer en dergelijke. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige. Het standpunt van appellante 3.1. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante voert aan dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest, omdat er geen informatie bij derden is opgevraagd en appellante niet bij een verzekeringsarts op spreekuur is geweest. Verder voert appellante aan dat zij niet 20 uur per week belastbaar is en het Uwv niet heeft gemotiveerd waarom op dit punt wordt afgeweken van de bevindingen van haar behandelaars. Verder heeft de rechtbank ten onrechte haar werk in de tattooshop als werkzaamheden gekwalificeerd nu het een soort vrijwilligerswerk betrof waarvoor geen loon is ontvangen. Zij heeft hier op aandringen van het Uwv slechts vrijwilligerswerk verricht. Daarnaast voert appellante aan dat zij gelet op haar psychische gesteldheid niet in staat is om de taak scannen te verrichten. Ze wijst in dat verband op de in beroep overgelegde brief van Praktijk You Contact. Appellante verzoekt de Raad om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Het standpunt van het Uwv 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen en verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 april 2023. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. 4.1. Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.